**1..** Het is verboden, zonder een daartoe verleende aansluitvergunning, een aansluiting van een perceelaansluitleiding op het gemeentelijk riool te hebben, tot stand te brengen of te wijzigen.
**2..** Het college van burgemeester en wethouders verleent alleen vergunning voor:
de afvoer van afvalwater, naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een gemengd of gescheiden (druk)stelsel aanwezig is.
voor de afvoer van afvalwater vanuit stapelbouw, indien de vuilwateraansluiting wordt voorzien door de aanvrager van een huisaansluitput met een diameter van minimaal 300 mm, deze put komt in de plaats van een ontstoppingsstuk.
de afvoer van hemelwater indien ter plaatse een hemelwaterriolering aanwezig is of indien ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is en de lozer zich op geen enkele andere doelmatige wijze, van hemelwater kan ontdoen.
de afvoer van afvalwater zonder hemelwater, indien ter plaatse drukriolering of een IBA aanwezig is.
de afvoer van bedrijfsafvalwater afkomstig uit de glastuinbouw, indien ter plaatse gemeentelijke riolering of een druksysteem aanwezig is.
voor de afvoer van afvalwater vanuit glastuinbouwbedrijven, indien er is voorzien in een buffertank met een inhoud voldoende om het afvalwater van een etmaal te bergen en een systeem voor gestuurd lozen zoals voorgeschreven door de gemeente én indien voldaan wordt aan de specifieke voorwaarden per type afvalwater in Artikel 4 ‘lozingsvoorwaarden en technische eisen’.
de afvoer van water vallend onder de restcategorie, mits deze afvoer voldoet aan het Activiteitenbesluit Milieubeheer.
**3..** Indien meer dan één aansluiting van een perceelaansluitleiding op het gemeentelijk riool tot stand dient te worden gebracht, alsmede wanneer meer dan één aansluiting dient te worden gewijzigd, is het eerste lid voor iedere aansluiting of wijziging afzonderlijk van toepassing.
**4..** Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze verordening aan de aansluitvergunning aanvullende voorwaarden verbinden ten behoeve van:
de doelmatige werking van het gemeentelijk riool inclusief de daar onderdeel van uitmakende mechanische en elektrotechnische apparatuur.
de doelmatige werking van een openbaar zuiveringtechnisch werk.
de bescherming van de kwaliteit van de bodem, het oppervlaktewater en het grondwater.