Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Lozingsvoorwaarden en technische eisen

Onderdeel van Aansluitverordening riolering Midden-Delfland 2021

1.. Voor de aansluiting van afvalwater op het vrijvervalstelsel gelden de volgende lozingsvoorwaarden en technische eisen: Alleen cluster 1 afvalwater en of daaraan gelijkgesteld water mag worden aangeboden rechtstreeks op de vrijverval riolering. Aansluiten van cluster 1 afvalwater dient via gescheiden buizen voor hemelwater en vuilwater aangeleverd te worden op 0,5 m binnen de erfgrens. De leiding wordt voorzien van een zogenaamd ontstoppingsstuk. Daarbij geldt voor de aansluitleidingen: dwa rond 125 mm in pvc kleur bruin en rwa rond 125 mm in pvc kleur grijs met buisopschrift respectievelijk ‘dwa’ of ‘vuilwater’ en ‘hemelwater’ of ‘regenwater’. Aansluiten van hemelwater is toegestaan: indien het niet aansluiten kan leiden tot overlast op aanliggende percelen. indien het niet aansluiten anderszins vanuit milieu hygiënisch of hydrologisch oogpunt ongewenst is. indien de aanvrager aantoont dat het hemelwater op geen enkele andere doelmatige wijze vastgehouden, geborgen of (vertraagd) afgevoerd kan worden. 2.. Lozingsvoorwaarden en technische eisen worden gesteld aan de aansluiting van afvalwater door middel van een IBA op het gemeentelijke stelsel: Aansluiten van cluster 1 afvalwater dient plaats te vinden middels een IBA die voldoet aan de BRL K10004 (KIWA 2000). De richtlijnen voor het goed gebruik van de IBA dienen te worden nageleefd. Aansluiten van hemelwater is niet toegestaan. 3.. Lozingsvoorwaarden en technische eisen worden gesteld aan de aansluiting van afvalwater door middel van een pompsysteem op het gemeentelijke stelsel: Aansluiten van cluster 1 afvalwater dient plaats te vinden middels een voorziening bestaande uit een pompput met leidingwerk en een telemetrie-unit naar richtlijnen van de gemeente. Aansluiten van hemelwater is niet toegestaan. Aansluiten van cluster 2 afvalwater (eventueel in combinatie met cluster 1 afvalwater) dient plaats te vinden conform lid 1a met toevoeging van een (rioolwater)buffer wanneer de hoeveelheid cluster 2 water op enig moment meer dan 0,50 m3/uur/ha bedraagt, waarbij de grootte in verhouding staat met het vrijkomend cluster 2 afvalwater ter beoordeling van gemeente. De (rioolwater)buffer dient een voorziening (telemetrie-unit met pomp) te hebben om geprioriteerd te kunnen lozen. Indien overschrijding van 0,50 m3/uur/ha op enig moment nooit aan de hand is, mag afvalwater uit cluster 2 direct op de pompput worden geloosd. Aansluiten cluster 3 afvalwater (eventueel in combinatie met cluster 1 en/of 2 afvalwater) dient plaats te vinden conform lid 1a met toevoeging van een (rioolwater)buffer. Afvalwater uit Cluster 3 mag niet direct op een pompput worden geloosd en moet in een (rioolwater)buffer worden opgevangen van maximaal 50 m3/ha en een voorziening (telemetrie-unit met pomp) hebben om geprioriteerd te kunnen lozen. Slechts drainagewater dat door bedrijfsactiviteiten is verontreinigd mag op het riool worden aangesloten waarbij op grond van het Activiteitenbesluit wordt bepaald of hergebruik technisch haalbaar en doelmatig is. De pompinstallatie of de klep in de (rioolwater)buffer moet worden aangesloten op het telemetriesysteem van de gemeente, waarbij de gemeente de lozingen vanuit een (rioolwater)buffer kan besturen. Wanneer een (rioolwater)buffersilo voorzien is van een door de gemeente bestuurd telemetriesysteem, mag de buffer voorzien zijn van een (calamiteiten)overstort naar het oppervlaktewater. De rechthebbende is verplicht om ervoor te zorgen dat de buffersturing werkt en indien nodig onderdelen direct vervangt of repareert. Het cluster 2 en 3 afvalwater en afvalwater vallend in de restcategorie mag geen zwevende of vaste stoffen bevatten die de goede werking van het gemeentelijk rioolsysteem en/of openbaar zuiveringtechnisch werk, nadelig kunnen beïnvloeden. Afvalwater uit de restcategorie kan alleen aangesloten worden na maatwerkoverleg met de gemeente. 4.. Lozingsvoorwaarden en technische eisen worden gesteld aan de aansluiting van glastuinbouwwater op het rioleringssysteem: Cluster 1 water mag aangesloten worden. Het aansluiten van hemelwater dat vrijkomt van dakvlakken of ander verhard oppervlak is niet toegestaan. Cluster 2 en 3 afvalwater wordt direct op de pompput of riool geloosd. Bij uitzonderlijke situaties, waaronder in ieder geval grote kwantitatieve lozingen waardoor andere bestaande lozingen kunnen worden gehinderd of bij het gebruik van ontijzeringsinstallaties, treedt de aanvrager in overleg met de gemeente om te komen tot een maatwerkoplossing. Het cluster 2 en 3 afvalwater en afvalwater vallend in de restcategorie mag geen zwevende of vaste stoffen bevatten die de goede werking van het rioolsysteem en/of openbare zuiveringstechnische werken, nadelig beïnvloeden.

Rechtspraak bij dit artikel