Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.5

Zichtbare effecten corona

Onderdeel van Kadernota Samen Kans-Rijk Rijswijk 2021 en verder

Met de uitbraak van de coronacrisis zijn veel mensen in Nederland extra kwetsbaar geworden. Hoe groot de impact is, is nog niet in beeld. Onderzoek Nibud Het Nibud heeft onderzoek gedaan (in juli 2020 onder 1270 respondenten) naar de omvang van de gevolgen van de corona crisis. Ongeveer 15% van de Nederlanders ervaarde in juli (2020) een inkomensterugval als gevolg van de coronacrisis. Dit zijn voornamelijk zelfstandige en werknemers met een flexibel dienstverband. Dat blijkt uit een peiling van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Uit het onderzoek blijkt dat 36 procent een toeslag ontvangt. Gemiddeld heeft 10 tot 20 procent van de respondenten financiële zorgen. Kwetsbare werkenden hardst getroffen door crisis Kwetsbare werkenden zoals jongeren, flexwerkers en zelfstandigen ervaren op dit moment vaker een terugval dan mensen in loondienst. Van mensen in loondienst heeft 13 procent een inkomens terugval. Jongeren en zelfstandigen zijn meer dan gemiddeld bezorgd over het behoud van werk, een dalend inkomen of het zelfs helemaal wegvallen daarvan. Tijdens het schrijven van deze nota zijn de gevolgen van Corona voor de gemeente nog niet goed inzichtelijk. De vraag naar inkomensondersteunende maatregelen is niet groter dan voor Corona. Ook bij navraag bij de Voedselbank Haaglanden zien zij nog geen toename van het aantal pakketten. Dit kan natuurlijk ook komen doordat inwoners met het extra steunpakket vanuit de rijksoverheid nog net wel weten rond te komen. Of er is een nieuwe doelgroep, die de weg naar de gemeente nog niet goed weet te vinden. Er kunnen verschillende redenen zijn, wel verwachten we dat er in de toekomst meer inwoners gebruik gaan maken van gemeentelijke ondersteuning als gevolg van Corona. Hopelijk kan corona ook iets positiefs brengen, namelijk dat armoede niet meer iets is van een aantal mensen. Maar dat het iedereen kan overkomen. Dat het uit de taboesfeer komt en er openlijk over gesproken gaat worden. Ten opzichte van 2014 en 2017 is het gebruik en bereik van de meeste regelingen gestegen (op de kwijtschelding na). Gemiddeld maken minimahuishoudens van 1,8 van de 5 regelingen voor volwassenen gebruik. Eenoudergezinnen, huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en met een niet-westerse migratieachtergrond maken van meer regelingen gebruik dan gemiddeld. Maakt 17 procent van geen enkele regeling voor volwassenen gebruik. Voor de regelingen voor kinderen is het aandeel niet-gebruikers iets stuk hoger: Het gemiddelde gebruik van de 4 regelingen voor kinderen is 1,6 regeling per minimagezin. Ook bij de kindregelingen valt op dat het bereik onder kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond hoger is dan onder kinderen met een andere achtergrond. Het aantal minimahuishoudens is weliswaar toegenomen ten opzichte van 2017 (+94 huishoudens) maar omdat de gemeente ook meer inwoners heeft gekregen is het aandeel minimahuishoudens gelijk gebleven (11 procent). TOZO Voor TOZO 2 en 3 (verstrekt vanaf juni 2020) geldt voor de uitkering levensonderhoud een partnerinkomenstoets. Als het huishoudinkomen boven het sociaal minimum komt, kunnen zelfstandige ondernemers geen aanspraak maken op TOZO 2 en 3 voor levensonderhoud. Om gebruik te kunnen maken van TOZO 2 en/of 3 geldt er geen vermogenstoets, er wordt niet gekeken naar de levensvatbaarheid van de onderneming en de kostendelersnorm wordt niet toegepast. Huishoudens met een TOZO 2 en/of 3 uitkering voor levensonderhoud leven dus (tijdelijk) op een inkomen niet hoger dan het sociaal minimum. In die zin zouden ze als tijdelijke minimahuishoudens kunnen worden beschouwd. Daarnaast kunnen zij ook gebruikmaken van de minimaregelingen. Tegelijkertijd verschillen de eventuele TOZO 2 en/of 3 gebruikers van ‘reguliere’ minimahuishoudens in de zin dat er voor de Participatiewet wel een vermogensgrens geldt en voor de TOZO 2 en 3 niet. Daarnaast verschillen deze groepen in de (verwachte) tijdelijkheid van de voorziening en duur op een laag inkomen. Daarom zijn de huishoudens die gebruikmaken van TOZO 2 en 3 wél meegenomen maar worden apart weergegeven. Ze níet mee met de ‘reguliere’ minimahuishoudens.

Rechtspraak bij dit artikel