2.1. - Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate (de parkeereis) ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

  • - In afwijking van artikel 2.1 onder a geldt dat voor ontwikkelingen in de binnenstad de parkeereis opgelost wordt in bestaande of nieuw te realiseren parkeervoorzieningen aan de rand van de binnenstad.

2.2. De in lid 2.1 onder a genoemde juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van parkeernormen waarbij het volgende van toepassing is:

  • - De parkeernorm is opgenomen in de vigerende Nota Parkeernormen.
  • - Er kan onder in lid 2.3 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die onder de minimumnorm ligt.
  • - Er kan onder in lid 2.4 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die tussen de minimumnorm en de maximumnorm ligt.
  • - Er kan onder in lid 2.5 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die boven de maximumnorm ligt.

2.3. De in lid 2.2 onder b genoemde voorwaarden zijn:

  • - De parkeernormen voor woonfuncties worden niet verlaagd.
  • - De aanvrager toont via te leveren relevante onderzoeken aan, dat de parkeernorm voor die specifieke functie op de betreffende locatie verlaagd kan worden, omdat de norm te hoog is. Een verlaging van de parkeernorm kan alleen als redelijkerwijs aannemelijk wordt gemaakt dat de functie minder parkeerders genereert dan met de vastgestelde norm wordt berekend.
  • - In concrete gevallen kan de parkeereis met een beperkt aantal parkeerplaatsen naar beneden worden bijgesteld ten gunste van een optimale inrichting van terreinen of garages, zo lang dat niet leidt tot parkeeroverlast op de openbare weg; hierbij geldt dat de extra parkeerdruk op de openbare weg als gevolg van het bouwplan niet hoger mag worden dan 80% op het moment van de aanvraag.

2.4. De in lid 2.2 onder c genoemde voorwaarden zijn voor kantoren op alle locaties en voor detailhandel op intercity- of knooppuntlocaties:

  • - een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zoals opgenomen in de bijlagen) dat door de gemeente is geaccordeerd.

2.5. De in lid 2.2 onder d genoemde voorwaarden zijn:

  • - het vermelde in lid 2.4;
  • - het te verwachten extra autoverkeer als gevolg van de extra parkeerplaatsen boven de hoge norm leidt niet tot (extra) doorstromingsproblemen op de grote stadswegen. De gemeente onderzoekt dit.

2.6. De in lid 2.1 bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die voldoen aan de richtlijnen in de ASVV (Aanbevelingen voor Stedelijke Verkeer Voorzieningen) en de NEN 2443. Er geldt daarbij altijd dat:

  • - een haaks parkeervak een minimale breedtemaat van 2,50 m heeft;
  • - het laatste parkeervak van een parkeerstrook dat direct naast een verticaal obstakel ligt, zoals een muur, heg, paaltje of pilaar, met 15 cm wordt verbreed;
  • - als aan beide kanten van een parkeervak een verticaal obstakel staat, het parkeervak met 35 cm wordt verbreed;
  • - een parkeerweg minimaal 1 meter na het laatste parkeervak doorloopt.

2.7. Als de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.8. Een openbare parkeergelegenheid boven 200 openbare parkeerplaatsen wordt met statische bebording opgenomen in het gemeentelijke ParkeerrouteInformatieSysteem. De kosten daarvan zijn voor rekening van de aanvrager. De aanvrager en de gemeente komen de afspraken overeen in een parkeerovereenkomst.

2.9. De parkeereis, de parkeeroplossing en een eventueel uitgevoerd parkeeronderzoek maken deel uit van de omgevingsvergunning.

2.10. Bij het berekenen van de parkeereis gelden de bepalingen zoals opgenomen in bijlage 1 (Gebruik van de tabellen).