Naar hoofdinhoud

Artikel 3.4

Redenen om af te zien van verhaal

Onderdeel van Beleidsregels Verhaal 2022

3.4.1Dringende redenen Indien dringende redenen aanwezig zijn gelegen in de persoon van de bijstandsgerechtigde, dan wel de persoon op wie bijstand wordt verhaald, kan worden afgezien van verhaal. Of een dringende reden aanwezig is en of het aanleiding is af te zien van verhaal dient aan de hand van de feiten en omstandigheden in het individuele geval te worden beoordeeld. Een dringende reden wordt aanwezig geacht in de volgende gevallen: Agressief gedrag van de onderhoudsplichtige ten opzichte van de bijstandsgerechtigde, of van de bijstandsgerechtigde ten opzichte van de onderhoudsplichtige. De aangevoerde redenen dienen geobjectiveerd te worden, oftewel geverifieerd en bevestigd door derden zoals politie (vertrouwens)arts, psycholoog en maatschappelijk werkende. Uiteraard dient dit onderzoek met de nodige prudentie te worden uitgevoerd. Veelal betreft het hier verhaal op onderhoudsplichtige mannen wier vrouw enige (vaak korte) tijd heeft doorgebracht in een huis voor vrouwenopvang. In dergelijke gevallen dient de actuele houding van de onderhoudsplichtige van doorslaggevend belang te zijn. Derhalve is een periodiek heronderzoek in dergelijke gevallen aangewezen. Indien uit het (voor)onderzoek blijkt dat de bedreigende situatie niet meer aanwezig is, kan een normaal draagkrachtonderzoek plaatsvinden. Suïcidaal gedrag van de onderhoudsplichtige/-gerechtigde. Voor deze gevallen geldt in wezen hetzelfde als voor gewelddadig gedrag van een onderhoudsplichtige tegenover de bijstandsgerechtigde. Prudentie is ook hier aangewezen. Het aanspreken van de ouders van een jong-meerderjarige schaadt de jong-meerderjarige. Dit kan het geval zijn als de relatie tussen ouders en hun jong-meerderjarig kind ernstig verstoord is, of als er (in het verleden) sprake is (geweest) van mishandeling of ernstige verwaarlozing. De onderhoudsplichtige heeft een inkomen op minimumniveau na een uitkeringsperiode. Uitvoering van de verhaalsbepalingen kan in een aantal gevallen op gespannen voet komen te staan met het gemeentelijk uitstroombeleid. Om het gemeentelijk uitstroombeleid maximaal te ondersteunen dient een onderhoudsplichtige ex-cliënt met een minimuminkomen gedurende enige tijd na de werkaanvaarding te worden ontzien om zodoende een extra stimulans te bieden om structureel in het arbeidsproces te blijven. Elk geval zal individualiserend moeten worden bezien. Als richtsnoer wordt aangehouden dat bij werkaanvaarding op minimumniveau na een uitkeringsperiode de gemeente gedurende een periode van twee jaren afziet van het opleggen van een onderhoudsbijdrage. Tevens kan worden afgezien van verhaal bij het bestaan van een problematische schuldensituatie. Van een problematische schuldensituatie is sprake indien: OP-er niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en Een schuldregeling m.b.t. alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en De verhaalsvordering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. De onderhoudsplichtige wordt geacht geen draagkracht te hebben als hij is toegelaten tot en voor de duur van het gerechtelijke traject van schuldsanering in het kader van de WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen). De onderhoudsplichtige wordt eveneens geacht geen draagkracht te hebben vanaf het moment dat Bureau Schuldhulpverlening van de gemeente in het kader van een minnelijke schuldregeling een verzoek tot saldo-opgave van de verhaalsvordering heeft ingediend. Gedurende de looptijd van de minnelijke schuldregeling wordt de verhaalsbijdrage op nihil gesteld. Voor de openstaande verhaalsvordering wordt meegewerkt aan een schuldregeling, waarbij de gemeente zich beroept op de wettelijke bevoorrechting die aan deze schuld is toegekend. Een voorstel tot schuldsanering wordt alleen in overweging genomen als de schuldsanering tot stand komt door tussenkomst van een erkende schuldhulpverlenende organisatie. Ingeval van faillissement van de onderhoudsplichtige: Wordt voor de duur van het faillissement de maandelijkse verhaalsbijdrage op nihil gesteld, tenzij de faillissementsrechter de verhaalsbijdrage als een maandelijkse verplichting heeft opgenomen in de faillissementsbeschikking, en Wordt bij de curator de vordering tot de datum van de uitspraak van het faillissement ingediend. 3.4.2Bedrijfseconomische redenen De gemeente ziet af van verhaal in de volgende gevallen: De persoon op wie verhaal wordt gezocht heeft een niet-Nederlandse nationaliteit en woont in het buitenland. In deze gevallen is er –bij betalingsonwil- in de praktijk geen enkele mogelijkheid tot invordering. Betrokkene kan zelden worden getraceerd, maar al lukt dat wel, dan nog zijn er geen gegevens met betrekking tot zijn inkomen te verkrijgen. Om bedrijfseconomische redenen dient in deze gevallen te worden afgezien van nader onderzoek met betrekking tot verhaal. De persoon op wie verhaal wordt gezocht is een Nederlander die in het buitenland woont en werkt. Ook hier zijn de invorderingsmogelijkheden zeer beperkt en afhankelijk van het feit of er een in Nederland gevestigde werkgever of inkomstenbron in het spel is. Woont betrokkene in een land waarmee historisch of anderszins speciale banden bestaan, dan kan een invorderingspoging zin hebben. (Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de Nederlandse Antillen, België en Duitsland.) In alle andere gevallen heeft een nader onderzoek naar verhaalsmogelijkheden om bedrijfseconomische redenen geen zin. Indien uit de draagkrachtberekening blijkt dat het totaal te verhalen bedrag onder de € 50 per maand ligt, wordt van verhaal afgezien, tot bij een volgende draagkrachtberekening blijkt dat het te verhalen bedrag € 50 of meer is. Ook wordt afgezien van verhaal als op voorhand duidelijk is dat de totale bijstandsperiode dermate kort zal zijn dat in totaal minder verschuldigd zal zijn dan het minimum verhaalsbedrag op jaarbasis, te weten € 600. Deze minimumbedragen gelden ook bij verhaal in der minne.

Rechtspraak bij dit artikel