Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.6.

Boomsoortkeuze

Onderdeel van Bomenbeleidsplan gemeente Eersel 2023-2033

Voor een optimale toepassing van bomen is een goede soortkeuze van essentieel belang. Dit betekent dat de boomsoort afgestemd moet zijn op de standplaats of dat de standplaats zodanig wordt ingericht dat de gekozen boomsoort daar goed kan functioneren. Indien met deze basisregel geen rekening wordt gehouden leidt dit in veel gevallen tot (groei)problemen of overlastsituaties. De laatste jaren treden in Nederland en de landen erom heen steeds vaker ziekten of plagen op, die één bepaalde boomsoort in het bijzonder treffen. De ziekten zijn veelal zeer besmettelijk. Voorbeelden hiervan zijn de bloedingsziekte bij kastanjes, massaria bij platanen, essterfte bij essen, iepen-ziekte bij iepen, eikenprocessierups bij zomereik, enz. Indien een gemeente veel bomen heeft van één boomsoort (monocultuur) en die boomsoort wordt getroffen door zo’n ziekte of plaag bestaat het gevaar dat een groot deel van haar bomenbestand bedreigd wordt. In het uiterste geval zullen vele bomen sterven wat een enorme impact kan hebben op het ruimtelijk beeld van de gemeente. Het is daarom belangrijk om een grote variatie (diversiteit) te hebben in het gemeentelijk bomenbestand. Dit verkleint het risico dat in een keer een groot deel het bomenbestand aangetast wordt. In Eersel zijn in de afgelopen decennia veel zomereiken en lindebomen (vooral Hollandse en kleinbladige linde) geplant. In de toekomst zal uitdrukkelijk gekeken worden om hierin meer variatie te brengen. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan de toepassing van andere eikensoorten (wintereik, moeraseik), andere linde-soorten (zilver en grootbladige linde), beuken, kastanjes, esdoornen, iepen en berken De keuze voor een streekeigen soort of een exoot staat in principe vrij en is voornamelijk afhankelijk van eisen aan groeiplaats en goede inpassing in stedenbouwkundig opzicht. Er zijn echter wel uitzonderingsgevallen. Zo heeft Eersel de voorkeur om de belangrijkste boomstructuren, de historische kernen en andere cultuurhistorische elementen in te vullen met inheemse boomsoorten. Aan de buitenrand van de bebouwde kom, waar aangesloten wordt op het buitengebied, worden zo veel mogelijk inheemse en gebiedseigen soorten gebruikt. Dit geldt ook voor de landschappelijke boomstructuren (buiten de bebouwde kom). Het is hierbij belangrijk om ook in deze inheemse boomsoorten, variatie te gebruiken. In parken en woonstraten kan daarentegen ook gebruik worden gemaakt van exoten. Om overlastsituaties zoveel mogelijk te vermijden dient de soortkeuze aangepast te worden op het gebruik van de omgeving. Bijvoorbeeld geen bomen op parkeerplaatsen aanplanten die gevoelig zijn voor bladluizen. Boommateriaal dat aangeplant wordt moet van de beste kwaliteit zijn en in goede conditie verkeren. Dit laatste wil zeggen: niet uitgedroogd, onbeschadigd en met voldoende haarwortels. Voorkeur van boommateriaal gaat uit naar een erkende kweker en genetisch autochtoon materiaal

Rechtspraak bij dit artikel