Jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening na een aanvraag en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag:
binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk;
het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten.
door gebruik te maken van een andere (voorliggende) voorziening.
Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond.
Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouder voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:
als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van een in artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van deze verordening genoemd probleem, stoornis en/of beperking waarvoor de hulp is ingezet en
voor zover het college achteraf nog het volgende kan beoordelen: de noodzaak, of de voorziening passend is en de gemaakte kosten.
De voorziening als bedoeld in het derde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing als de ingezette individuele voorziening tot stand is gekomen door een verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts.
Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste lid.
Hoofdstuk 3.
Artikel 7.
Criteria individuele voorzieningen
Onderdeel van Gemeente Rhenen - VERORDENING JEUGDHULP RHENEN 2022