Het college handhaaft op het naleven van de afspraken uit het PIP in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.1.2 van de toelichting op het Besluit. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit.
Wanneer de inburgeringsplichtige de verplichtingen uit het PIP verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt, legt het college hem een boete op.
Voor inburgeringsplichtigen gaat het om de volgende verplichtingen:
deelnemen aan de voortgangsgesprekken;
deelnemen aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT.
Voor asielstatushouders gaat het daarnaast om de verplichting om deel te nemen aan de inburgeringslessen.
Voordat het college een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen.
De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze kenbaar te maken.
Op basis van het onderzoek van het college, onder andere het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze, bepaalt het college de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit.
Het college legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn of haar zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb.
Hoofdstuk 8
Artikel 15
– Boete tijdens het inburgeringstraject
Onderdeel van Beleidsregels Inburgering Leidschendam-Voorburg 2022