**1..** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een onderzoeksrapport naar verontreiniging van de bodem; en
als op de locatie waar de bouwactiviteit plaatsvindt sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
**2..** Een sanerende of andere beschermende maatregel als bedoel in het eerste lid, onder b, is in ieder geval een sanering overeenkomstig:
het Besluit uniforme saneringen; of
een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd.
**3..** In afwijking van het eerste lid, onder a, hoeft geen onderzoeksrapport te worden verstrekt als:
voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht het college al beschikt over resultaten van een verricht bodemonderzoek die voor de beoordeling, bedoeld in artikel 3.16, voldoende actueel en bruikbaar zijn; of
het gaat om een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012 en uit het vooronderzoek, bedoeld in NEN 5725, uitgave 2009, blijkt dat de locatie onverdacht is.
**4..** Het onderzoekrapport is gebaseerd op:
de resultaten van een recent verricht bodemonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009; en
als er op basis van het vooronderzoek aanleiding is om te veronderstellen dat asbest, met inbegrip van asbestvezels, asbestdeeltjes of asbeststof, in de bodem aanwezig is: de resultaten van recent verricht onderzoek volgens NEN 5707, uitgave 2017.
**5..** Als voor het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, op de locatie eerst sloopactiviteiten moeten worden verricht, vindt het bodemonderzoek, bedoeld in het vierde lid, onder a, plaats na het beëindigen van die sloopactiviteiten.
HOOFDSTUK 3 › § 3.2.2
Artikel 3.15
(aanvraagvereisten)
Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest