Het college hanteert verder de volgende beleidsuitgangspunten.
Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer
Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets, brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Bij de beoordeling wordt ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of een gedragsstoornis van de cliënt.
Algemeen gebruikelijke voorziening
Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels.
Vervoer in verband met vrijwilligerswerk
In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.
Andere wettelijke aanspraak
Artikel 4.3, tweede lid onder a, van de Verordening
Volgens dit artikel is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd.
Ziekenvervoer
Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Het college mag van de cliënt verwachten dat bij de zorgverzekeraar wordt verzocht om een schriftelijk gemotiveerde afwijzing van een aanspraak op ziekenvervoer. Daaronder wordt ook een vergoeding van de reiskosten verstaan.
Medisch vervoer
Is vastgesteld dat er geen aanspraak bestaat op ziekenvervoer op grond van de Zvw, dan is een bezoek aan het ziekenhuis, huisarts of ander 'medisch vervoer' onderdeel van een lokale vervoersbehoefte (CRVB:2010:BL4037) Het feit dat de cliënt met de Regiotaxi - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is namelijk gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder.
Leefvervoer WIA
Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35, derde lid, WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan.
Vervoer onderwijs
Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.
Hoofdstuk 11
Artikel 11.6
Beleidsuitgangspunten
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022