Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals vervoersvoorzieningen en een gebruikerspas voor de Regiotaxi. Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een:
scootmobiel,
fietsvoorziening, of
autoaanpassing.
Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.
11.7.1 Bevorderen gezondheid
Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 in beginsel niet relevant (CRVB:2020:2644). Het is echter wel zo dat het college bij de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie rekening moet houden met: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt (art. 2.3.2, eerste lid onder a, van de wet). De maatwerkvoorziening moet immers zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de aanvrager (art. 2.3.5, derde lid, van de wet). Daaronder valt bijvoorbeeld de wens voor een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) in plaats van een scootmobiel in het geval de beperkingen van de cliënt zijn afgenomen. Eenvoudig gezegd: een scootmobiel zou tot overcompensatie kunnen leiden en daarmee geen passende bijdrage vormen (RBLIM:2021:1824). Een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) kan primair gericht zijn op het oplossen van de beperkingen in de mobiliteit en secundair op het verbeteren van conditie (gezondheid). Opgemerkt wordt dat het oplossen van het mobiliteitsprobleem voor woon-werkverkeer buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.
11.7.2 Scootmobiel
Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld de scootmobielpool geen passende oplossing is.
Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:
er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers,
de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel,
er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets,
de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage),
de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest),
er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.
Kosten scootmobieltraining
Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel. De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen dan ook onder de Zvw. Het college vergoedt daarnaast maximaal vijf gewenningslessen, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.
Stalling
Het stallen van vervoersvoorzieningen door de cliënt, zoals een scootmobiel moet op een adequate wijze gebeuren. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan in dit kader als adequaat worden beschouwd. Ook het afdekken van de scootmobiel met een hoes, als de cliënt, zijn huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn, kan een adequate oplossing zijn, mits er een oplaadmogelijkheid voor handen is. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Een adequate stallingruimte wil zeggen dat de scootmobiel droog staat in een afgesloten ruimte. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. In de stallingsruimte kan ook een oplaadpunt nodig zijn.
11.7.3 Fietsvoorzieningen
Het college zal tijdens het onderzoek beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een elektrische fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt een elektrische fiets bij aan het opheffen of verminderen daarvan? In dat het geval, dan beoordeelt het college of een elektrische fiets voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan heeft het verstrekken daarvan een therapeutisch karakter en valt in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2013:BZ1741).
Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen
Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt.
11.7.4 Autoaanpassingen
Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de Regiotaxi bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen.
Algemeen gebruikelijk
Sommige autoaanpassingen kunnen een algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Zie 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels.
Fondsenwerving
Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.
Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing
Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.
Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is Regiotaxi geen passende bijdrage?
Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner.
Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?
Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?
Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste zeven jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. Het college kan hiervan afwijken als de aanpassing, zonder al te hoge kosten, in een volgende auto kan worden overgezet.
Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.
De geldigheidsduur van het rijbewijs wordt ook in ogenschouw genomen. Dit in verband met een eventuele keuring ter beoordeling van de rijgeschiktheid.
Bijzonderheden
De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Dit op basis van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de cliënt aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan vijf jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de cliënt.
BPM teruggave
Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl).
Hoofdstuk 11
Artikel 11.7
Soorten vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022