Er is een commissie geloofsbrieven, gebaseerd op art. 84 van de Gemeentewet. Deze onderzoekt
aan de raad overgelegde geloofsbrieven van tot leden van de raad benoemde personen, alsmede de overige door de Kieswet geëiste stukken
de benoembaarheid van kandidaten die aan de raad worden voorgesteld om tot wethouder te worden benoemd, waarbij getoetst wordt aan de eisen van Gemeentewet, de gedragscode zoals geldend voor wethouders. Bij het advies hierover aan de gemeenteraad is tevens beschikbaar de onder verantwoordelijkheid van de burgemeester over de kandidaat- wethouder opgestelde risico-analyse integriteit.
De commissie bestaat uit drie raadsleden waarvan één voorzitter is. De raad benoemt de commissie en minimaal één plaatsvervangend lid in de eerste vergadering na de verkiezingen. De benoeming geldt voor de duur van de raadsperiode tenzij een lid eerder ontslag vraagt of van de raad ontslag krijgt. Bij een verzoek om ontslag duurt het lidmaatschap tot de opvolger benoemd is.
De commissie brengt na het onderzoek schriftelijk en mondeling verslag uit omtrent de benoembaarheid van de onderzochte(n). Daarin wordt een eventueel minderheidsstandpunt gemeld. De raad besluit in dezelfde vergadering , behalve in het geval zoals bedoeld in art. 32, lid 4 Gemeentewet, over toelating van de benoemde of, als uitstel nodig is, op een later door de raad op voorstel van de voorzitter bepaald tijdstip.
De voorzitter roept een toegelaten raadslid op om in de eerste vergadering waarin hij zijn functie volgens de Kieswet kan aanvaarden, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
HOOFDSTUK 1:
Artikel 7.
Toelating nieuwe raadsleden en wethouders
Onderdeel van Spelregels gemeenteraad Breda, het Bredaas beRaad 2021