2.1Preventiestrategie
De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij burgers en bedrijven. Het doel is om de betrokkenheid en het draagvlak voor spontane naleving van wet- en regelgeving te vergroten. Vanuit de gedachte dat burgers en bedrijven zelf primair verantwoordelijk zijn voor het naleven van wet- en regelgeving en dat de gemeente onmogelijk op alle wet- en regelgeving kan toezien speelt de preventiestrategie een belangrijke rol.
Voor de preventiestrategie wordt een aantal trajecten onderscheiden, waaruit lokale keuzen gemaakt kunnen worden.
Deregulering (ZORRO principe). Handhaafbaarheid van regelgeving wordt alom gezien als kritische succesfactor voor een adequate handhaving. Binnen dit traject valt ook de deregulering. Als geconstateerd wordt dat een regel uit een verordening of beleidsregel niet meer nodig is of voldoet, moet bekeken worden of zij kan worden afgeschaft of bijgesteld. ZORRO= Zoek Onnodige Regels Op en Ruim ze Op. Het team T&H vervult hierbij een signaleringsrol voor het bijstellen van het beleid.
Communicatie en voorlichting. Door de inzet van communicatie en voorlichting wordt een meer effectieve en efficiënte handhaving nagestreefd. De ervaring leert dat bij juist gebruik van een communicatievorm (professioneel, tijdig, herkenbaar etc.) een aanzienlijk deel van de potentiële overtreders zich alsnog en blijvend houdt aan geldende regelgeving. Tevens kan bij communicatie bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van vooraankondigingen van controles en de publicatie van de controleresultaten,.
Samenwerking met derden. Bij een actieve programmatische benadering van inspectie en handhaving is samenwerking met externen noodzakelijk. Samenwerking is een must om te komen tot een optimaal en integraal resultaat, waarbij de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie van verschillende partijen over en weer worden benut.
Drempelverlaging om burgers en bedrijven eerder overtredingen te laten melden.
Financiële prikkels. Het niet in aanmerking komen van korting op de leges bij legalisatie kan een bijdrage leveren aan het verhogen van de spontane naleving van wet- en regelgeving.
Mediation. Vaak komen handhavingsdossiers voort uit intermenselijke problemen. De onderlinge verhoudingen zijn verstoord en vervolgens worden ruzies uitgevochten via wettelijke procedures. De gemeente wordt dan "gebruikt" om het pleit in iemands voordeel te beslechten. Voor de gemeente betekent dit veel inzet en langdurige juridische procedures terwijl de kern van het probleem daarmee niet wordt opgelost. Wanneer blijkt dat sprake is van dergelijke verstoorde verhoudingen kan de gemeente overwegen om het instrument van mediation in te zetten. Via bemiddeling door de gemeente zelf of door een externe mediator zal dan worden getracht het geschil tussen de partijen bij te leggen.
De preventiestrategie zal jaarlijks door de gemeente vorm en inhoud worden gegeven op basis van de evaluaties van de uitvoering van het Omgevingsbeleidsplan.
De gemeente hanteert daarbij vier doelgroepen binnen de preventiestrategie:
Spontane en bewuste nalever: kent de regels en leeft die ook spontaan of bewust na ongeacht wel of geen toezicht en handhaving.
Onbewuste overtreder: burger of bedrijf overtreedt per ongeluk de regels.
Afgedwongen nalever (handhavingafgeschrikte): leeft de regels na, omdat hij afgeschrikt wordt door controles en sancties.
Bewuste overtreder: iemand die willens en wetens overtreedt en daarbij bewust het risico neemt om gepakt te worden.
Bij alle doelgroepen gaat de gemeente uit van de eigen verantwoordelijkheid van de doelgroepen. Daarnaast hanteert de gemeente daar waar mogelijk een klantvriendelijke en positieve benadering. Dat betekent dat de benadering zich richt op de voordelen van naleven, benadrukken van het nut van de regels, voorbeeldgedrag en sociale norm en voorkomen van overtredingen.
2.2Toezichtstrategie
Onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Doel hiervan is de (vrijwillige) naleving van wet- en regelgeving. Toezicht vindt plaats op basis van verleende vergunningen en ontheffingen, in het kader van projecten, naar aanleiding van meldingen, klachten en calamiteiten en door opname van de activiteit in een uitvoeringsprogramma. Om effectief en doelmatig te werk te gaan is het nodig om verschillende vormen van toezicht te hanteren. Er wordt ten aanzien van de toezichtstrategie onderscheid gemaakt tussen de realisatie- en beheer- of gebruiksfase.
De realisatiefase heeft met name te maken activiteiten als bouwen, wijzigen monument, brandveiligheid, slopen, uitvoeren van een werk, strijdig gebruik, aanleg uitwegen en kappen van bomen.
De beheer- of gebruiksfase is toezicht op activiteiten zoals gebruik van onroerend goed, exploiteren milieu-inrichting en brandveiligheid, themacontroles, inventariserende controles, meldingen van derden .
2.2.1.Prioriteitenstelling toezicht
Het toezicht van de verschillende onderwerpen is opgenomen in een risicoanalyse. Hierbij is een verschil gemaakt voor de milieu/inrichtingen, het brandveilig gebruik en de overige activiteiten op het gebied van de Wabo en overige wet- en regelgeving zoals APV, Wet kinderopvang, Drank- en Horecawetgeving, e.d.. De risicoanalyses zijn weergegeven in bijlage 2.
In de risicoanalyse komt naar voren welke activiteiten de meeste prioriteit hebben. Dit zijn de onderwerpen met de grootste risico´s op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn in de risicoanalyse de bestuurlijke aandachtspunten meegenomen zoals het toezicht op het wijzigen van monumenten.
Landelijk en regionaal kunnen ook prioriteiten worden aangedragen waarbij de gemeente wordt gevraagd medewerking te verlenen aan de uitvoering hiervan. Deze zullen, indien de gemeente deze prioriteiten onderschrijft, worden opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma VTH,. Indien dit niet mogelijk is zal een bestuurlijke beslissing moeten worden genomen deze prioriteiten uit te voeren ten koste van het eerder vastgesteld uitvoeringsprogramma. Om dan niet in de knel te komen dient in het uitvoeringsprogramma rekening te worden gehouden met bestuurlijke opdrachten.
Idealiter wordt toezicht gehouden op alle onderwerpen. Dit is echter niet mogelijk omdat daartoe de capaciteit niet toereikend is. Gelet hierop zijn keuzes gemaakt en zal het toezicht op sommige onderwerpen niet worden uitgevoerd. Dit zogenaamde restrisico wordt erkend door het college. Op meldingen van burgers en bedrijven zal altijd worden gereageerd. Hierbij wordt ook verwezen naar punt 3.1 “de kunst van het handhaven”.
2.2.2Toezicht tijdens de realisatiefase
Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van de volgende type controles: (hierbij is aansluiting gezocht met het programma Squit XO):
TYPE CONTROLE
TOELICHTING
Oplevercontrole
Controle ter plekke tijdens de uitvoering. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen controles met en zonder wachtmoment (waarbij de uitvoerder niet verder kan nadat de controle is uitgevoerd)
Administratieve controle
Controle tijdens of aan het einde van de realisatiefase op basis van gegevens aangeleverd door de vergunninghouder
Tijdens de realisatiefase vindt toezicht plaats door toezichthouders die voldoen aan de Kwaliteitscriteria 2.1. Dit vindt plaats op een werkniveau 3, hetgeen representatief is en voldoet aan het algemeen geaccepteerde adequate niveau.
Beoordeling kan plaatsvinden op de volgende niveaus:
Werkniveau
Omschrijving
0
Geen
Er vindt geen toezicht plaats
1
Beperkt
Visuele controle, een vluchtige beoordeling op het oog op basis van kennis en ervaring zonder projectspecifieke tekeningen of details te raadplegen en of hulpmiddelen (bijvoorbeeld meetlat) te gebruiken.
2
Basis
Beoordeling op hoofdlijnen, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Er worden alleen algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd. Bij twijfel vindt raadpleging van detailtekeningen plaats.
3
Representatief
uitgangspunt
Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Daarnaast worden enkele kritische detailleringen diepgaander gecontroleerd. Er worden algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd en detailtekeningen van kritische detailleringen.
4
Integraal
Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Alle projectspecifieke tekeningen en detailtekeningen worden geraadpleegd.
Op deze niveaus zijn dezelfde principes van toepassing als op de werkniveaus zoals beschreven bij het hoofdstuk vergunningverlening.
2.2.3. Toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase
Bij de beheer- of gebruiksfase is allereerst sprake van planmatige (on)aangekondigde controles. Deze controles kunnen wat betreft diepgang en reikwijdte verschillen.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende type controles en hierbij behorende werkniveaus.
TYPE CONTROLE
TOELICHTING
werkniveau
Periodieke controle
Controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is.
3
Administratieve controle
Controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is, zonder fysieke bezoek, zogenaamde zelfcontroles
2
Themacontroles
Controle naar aanleiding van een bepaald vastgesteld thema of branche
3
Inventariserende controles
Controle uitgevoerd die gebiedsgericht zijn zoals o.a. controles bij bedrijventerreinen, woonkernen, buitengebied, e.d.
2
Klacht/melding
Controle op basis van een in- of externe melding waarbij nog geen concrete strijdigheid ambtelijk is vastgesteld
3
Handhavingsverzoek
Controle naar aanleiding van een verzoek tot handhaving
3
Ongewoon Voorval
Controle naar aanleiding van een calamiteit c.q. ongewoon voorval
4
De routinematige controles, gebaseerd op een handhavingsprogramma, zijnde periodieke, administratieve, thema en inventariserende controles worden vooraf gepland en zijn gebaseerd op het uitvoeringsprogramma.
De overige controles, zijnde klacht/melding, handhavingsverzoek en ongewoon voorval vinden ad hoc plaats. Deze zijn niet te plannen en zijn meestal het gevolg van bijzondere omstandigheden waaraan de nodige aandacht aan geschonken moet worden.
De werkniveaus van de verschillende type controles verschillen van elkaar gelet op de aard van de controlediepgang. Hierbij wordt verwezen naar de werkniveaus zoals aangegeven bij de toezichtniveaus in de realisatiefase.
2.2.4.Integraliteit van het toezicht
Om de administratieve lastendruk van burgers en ondernemers zoveel mogelijk te beperken is het noodzakelijk om de verschillende soorten controles, zoals oplevercontroles en periodieke controles, integraal uit te voeren waardoor sprake is van één controlemoment. Dit geeft daarnaast ook een besparing op de capaciteit door efficiency.
Hierbij dient ook andere wetgeving te worden meegenomen zoals de drank- en horecavergunning, de terrasvergunning en de speelautomatenvergunning.
Integraal toezicht kan op verschillende manieren worden opgevat.
Bij de eerste manier wordt integraal opgevat als één toezichthouder, die vanuit verschillende disciplines en instanties controle en handhaving oppakt. Afhankelijk van de benodigde kennis en ervaring kunnen vervolgens modellen worden toegepast als “controleren voor elkaar”, “controleren achter elkaar” en “controleren met elkaar”.
Bij de tweede manier wordt integraal opgevat als het afstemmen van handhavingsactiviteiten vanuit verschillende disciplines in planning en uitvoering. Handelingsplannen van twee of meer partijen worden geïntegreerd zodat een eenheid of samenhangend geheel ontstaat.
2.2.5.Naleefgedrag
Bedrijven met een goed naleefgedrag zullen worden beloond door deze minder frequent te controleren. Bedrijven die constant in de fout gaan zullen vaker worden gecontroleerd. Op die manier wordt getracht duidelijk te maken dat naleving van de regels zich loont en hierdoor administratieve lasten minder zijn.
2.2.6.Inzet flexteams
Een nieuwe manier van toezicht en handhaving is de inzet van een flexteam. Dit team wordt vaak ingezet voor het aanpakken van ernstige overlast. Hierbij moet worden gedacht aan drugs, illegalenhuisvesting, prostitutie e.d.
Deze activiteiten zorgen voor overlast en vormt een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Buurtbewoners voelen zich minder veilig in hun buurt. De aansturing en het initiatief van een dergelijke actie ligt op het terrein van Openbare orde en Veiligheid
Op het gebied van de Wabo wordt ook een flexteam ingezet bij een tweetal specifieke controletypes: de themacontroles en de inventariserende controles.
Voor deze controles wordt een handhavingsteam gevormd van specialisten van de gemeente op het gebied van bestuursrecht, bouw- en milieurecht en de Algemene Plaatselijke Verordening en externe deskundigen.
Deze manier van toezicht waarborgt tevens de integraliteit.
De toezichtstrategie wordt in de volgende paragrafen uitgewerkt voor de verschillende activiteiten vallend onder de Wabo.
2.3Activiteit (ver) bouwen van een bouwwerk
Inleiding
In artikel 2.3. Wabo wordt aangegeven dat het verboden is te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning.
De gemeente heeft de taak te controleren of gebouwd wordt conform omgevingsvergunning en wet- en regelgeving. Naast het gestelde in de Wabo zijn in het Bouwbesluit in hoofdstuk 1 en 8 voorschriften opgenomen met betrekking tot plichten tijdens de bouw, zoals afscheiding van het bouwterrein, aanwezigheid bescheiden op de bouwplaats en het melden van start en einde van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust. Bovendien laat de kwaliteit van de uitvoering van werkzaamheden nog al eens te wensen over waardoor bijsturing noodzakelijk is. In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van vergunningplichtige bouwwerken. Voor bouwwerken, die zonder omgevingsvergunning (voor de activiteit (ver)bouwen) kunnen worden gerealiseerd gelden overigens wel regels. Zij moeten ook voldoen aan wet- en regelgeving.
Centrale vraag
Welke (ver)bouwactiviteiten worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Zoals reeds in het kader van de vergunningverlening is aangegeven sluit de gemeente hierbij aan op de visie van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen (CKB).
Onder het motto “100% toezicht is niet mogelijk” is gekeken naar de risico’s die bepaalde bouwwerktypen kunnen veroorzaken. Dit is verwoord in een risicoanalyse, waarbij bepaalde bouwwerktypen niet zullen worden gecontroleerd indien ook in het kader van de vergunningverlening zeer terughoudend is getoetst.
Bouwwerktypologie
Ook hier wordt aangesloten bij de vergunningverlening.
Zie voor de indeling tabel A op pagina 22.
Thema’s wet- en regelgeving
De intensiteit van toezicht wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. Ook ten aanzien van de thema’s wordt aangesloten bij de indeling van de toetsing van de vergunningsaanvraag. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld.
Werkniveaus
De intensiteit of zwaarte van toezicht wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk) en het geformuleerde toetsniveau. Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met een vooraf gedefinieerde werkniveau. Dit is het werkniveau 3 (representatief), zoals omschreven in 2.2.2 .
Bouwfasen
Een bouwwerk wordt in een aantal fasen gerealiseerd. Aandacht voor bepaalde thema’s uit wet- en regelgeving kunnen alleen in bepaalde fasen worden gecontroleerd. In het beleid en werkprogramma’s wordt dan ook rekening gehouden met de fasen. In onderstaande tabel zijn de bouwfasen onderscheiden:
Aanloopfase1
1
Ruimtelijke inpassing
2
Uitzetten bouw
3
Uitgraven bouwput
4
Fundering op staal
5
Fundering op palen
Onderbouw
6
Funderingsconstructie
7
Riolering
8
Begane grond
Bovenbouw
9
Wanden/ kolommen
10
Stempels/ steigers
11
Vloeren / balken
12
Constructie overige verdiepingen
Gevel/dak
13
Dakconstructies
14
Dakafwerking
15
Buitnenblad gevel
16
Gevelopeningen
Afbouw
17
Nutsvoorzieningen
18
Hoogteverschil / vloerafscheidingen
19
Ventilatie / spuicapaciteit
20
Brandveiligheid
21
Vluchtmogelijkheden
22
Brandveiligheidsinstallaties
23
Bescherming geluid
24
Wering van vocht
25
Verbrandingslucht / rook
26
EP gerelateerde installaties
27
Duurzaambouwen
28
Eindcontrole
Beleid
Op basis van de voorgaande beleidsonderdelen is per type bouwwerk het aantal controles, de te controleren onderdelen en het werkniveau van bouwtoezicht bepaald. Dit is weergegeven in bijlage 7 ‘Inspectiematrix en kengetallen bouwen’.
Daarnaast is aan de hand van de risicoanalyse (bijlage 2) bepaald welke gebouwtypen de grootste risico’s hebben. Ten aanzien van de bouwwerkcategorieën is eenzelfde onderscheid waarneembaar als bij de toetsing van de aanvraag. Bij grotere bouwwerken is het toezicht intensiever, bij kleine bouwwerken extensiever als we kijken naar de toezichtfrequentie. Met name bij de categorie kleine bouwwerken vindt er op meerdere thema’s geen toezicht plaats. Zo zal voor bouwwerken in de categorieën 1, 2 en 7 geen toezicht plaatsvinden tenzij dit door de bouwplantoetser/vergunningverlener is aangegeven in de vergunning.
Voor de bouwwerken geen gebouw zijnde, zoals viaducten en tunnels, heeft geen uitwerking van de toezichtstrategie plaatsgevonden. Het vertrekpunt bij deze bouwwerken is dat de opdrachtgever (vaak Rijkswaterstaat of Provincie) zelf voor toezicht zorgdraagt.
2.3.1. Toets constructieve gegevens en deelgoedkeuringen na verlening omgevingsvergunning
Inleiding
Controle van deelgoedkeuringen ten aanzien van constructieonderdelen en installaties. In een omgevingsvergunning kunnen voorschriften zijn opgenomen. Veel voorkomende voorschriften hebben betrekking op het op een later tijdstip indienen van tekeningen en berekeningen. Het betreft dan vooral constructieve tekeningen en berekeningen en installatietechnische tekeningen en berekeningen. In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) is het op een later tijdstip indienen van dergelijke zaken wettelijk geregeld. Bij één vergunning kan sprake zijn van meerdere deelgoedkeuringen.
Centrale vraag
Hoe worden deelgoedkeuringen beoordeeld?
Strategie
Het feit dat voorschriften worden geformuleerd bij de vergunning geeft aan dat het niet reëel was om ten tijde van de vergunningsaanvraag een beoordeling te doen. Aangezien sprake is van voorschriften zijn de beoordelingen vanuit het oogpunt van de gemeente Eijsden-Margraten wel noodzakelijk. Handhaving van deze voorschriften wordt van groot belang geacht omdat het vaak belangrijke onderdelen betreft ten aanzien van veiligheid (constructie en brand).
Beleid
De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de bescheiden (vaak 3 weken voor aanvang van het desbetreffende onderdeel). De toezichthouder bewaakt dit en gaat na of onderdelen niet worden gerealiseerd alvorens de bescheiden zijn beoordeeld en geaccordeerd. Wanneer dat gebeurt vindt stillegging van de werkzaamheden plaats. Iedere set tekeningen / berekeningen die wordt ingediend wordt beoordeeld. De constructieve tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd door de plantoetser of een (externe) constructeur op het werkniveau zoals aangegeven bij beoordeling constructieve aspecten (zie toetsingsmatrix op pagina 29). De installatie technische tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd door de plantoetser of een externe adviseur (zoals de Brandweer). Controle vindt plaats op het niveau aangegeven bij de activiteit (ver)bouwen.
2.4 Activiteit het slopen van een bouwwerk
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of gesloopt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Sloopactiviteiten waarbij asbest vrijkomt vallen onder de basistaken van de Regionale uitvoeringsdienst (RUD) en zijn verder niet meegenomen in dit beleid.
Centrale vraag
Welke sloopwerken worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Er is een methodiek opgezet naar analogie van de activiteit (ver)bouwen.
Sloopwerktypologie
De intensiteit van toezicht wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type sloopwerk. Hierbij wordt aangesloten bij de typologie genoemd bij vergunningverlening. Hierdoor is afstemming mogelijk tussen de vergunningverlening en toezicht. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van het toezicht.
Thema’s wet- en regelgeving
De intensiteit van toezicht wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het sloopwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. Ook ten aanzien van de thema’s wordt aangesloten bij de indeling genoemd bij vergunningverlening. In combinatie met vooral het type sloopwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld.
Werkniveaus
Het werkniveau van het slooptoezicht is altijd representatief (niveau 3). Dat geldt zowel voor het administratieve toezicht alsook het toezicht op de slooplocatie.
Beleid
Middels een risicoanalyse (bijlage 2) en op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type sloopwerk ook het aantal controles en de te controleren onderdelen bepaald.
Bij particuliere sloop asbest (type 1) vindt geen regulier toezicht ter plekke plaats. Er worden alleen stortbonnen en de asbestvrij-verklaring opgevraagd. Deze worden administratief verwerkt (administratief toezicht).
Niet particuliere sloop asbest (type 2) valt onder de basistaken van de RUD.
Bij een niet risicovol sloopwerk(type 3)vindt alleen een opleveringscontrole plaats.
Bij een risicovol sloopwerk (type 4) vindt (steekproefsgewijs) controle plaats door de RUD ten aanzien van het aspect asbest.
Controles door de gemeentelijke toezichthouders richten zich vooral op de externe veiligheid, openbare weg en belendingen. Op basis van de gevoeligheid belendingen en hinder en overlast kan eveneens een aantal extra controles in de vervolgfase plaatsvinden. Extra controles kunnen ook plaatsvinden als bijvoorbeeld het afval op de sloopplaats via een mobiele puinbreker wordt verwerkt.
2.5Activiteit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op de brandveiligheid
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of een gebouw gebruikt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke gebouwen worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Het toezicht vindt plaats aan de hand van een risicoanalyse per soort gebruik/gebouw. De controles op het gebruik worden periodiek uitgevoerd.
De gemeente dient te beschikken over een actueel inrichtingen bestand.
Objecten
Voor de verschillende objecten is de lijst van de PREVAB (preventie actieplan) van Redactieraad Brandweer en Crisisbeheersing aangehouden.
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) per object.
Vervolgens is de frequentie bepaald op basis van de grootte van het risico, de ervaringsgegevens en de beschikbare capaciteit
Locaties met een zeer groot risico worden jaarlijks gecontroleerd;
Locaties met een groot risico worden 1 maal per 2 jaar gecontroleerd;
Locaties met een beperkt of klein risico worden 1 maal per 3 jaar gecontroleerd;
Een oplevercontrole van een vergunning wordt als eerste periodieke controle vastgelegd. Deze eerste periodiek controle wordt integraal uitgevoerd bij de oplevering van het gebouw;
Individuele locaties kunnen in aanmerking komen voor het intensiveren van de controlefrequentie bij zware overtredingen en/of recidive;
Individuele locaties kunnen in aanmerking komen voor het beperken van de controlefrequentie bij een goede naleving;
Periodieke controles worden zoveel mogelijk integraal uitgevoerd;
Bij het actualiseren van het inrichtingen bestand wordt aangesloten bij de activiteit ten aanzien van milieu (zie 2.10);
Voor de carnaval worden themacontroles uitgevoerd ten aanzien van de brandveiligheid bij gebouwen die intensief worden gebruikt tijdens deze feesten.
Inzet specialisten
De controles op het gebied van de brandveiligheid worden uitgevoerd door eigen gespecialiseerde toezichthouders en de brandweer.
2.6Activiteit het wijzigen van een monument
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of een gebouw gebruikt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke monumenten worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Er is een strategie opgesteld aan de hand van een risicoanalyse.
Objecten
Er kan sprake zijn van monumenten aangewezen door het Rijk of door de gemeente.
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) dat de monumenten, ongeacht door wie ze zijn aangewezen, een zeer groot risico vormen c.q. het meest kwetsbaar zijn.
Bij aanpassingen of het verbouwen van monumenten wordt dan ook de controlefrequentie gevolgd als voor het meest kwetsbare gebouwtype zijnde categorie 6 ‘publiekstoegankelijk bouwwerken’. De inspectiematrix hiervoor is opgenomen in bijlage 7.
Vaak komt het voor dat de bouw- of verbouwactiviteiten bij monumenten stil ligt. Ook dan is het noodzakelijk dat controles worden uitgevoerd om te voorkomen dat hierdoor het monumentale karakter wordt aangetast door onder andere de weersinvloeden.
Inzet specialisten
De controles bij monumenten worden zoveel mogelijk uitgevoerd samen met specialisten op dit gebied.
2.7Het slopen op basis van een planologisch kader
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of gesloopt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke sloopwerken worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Er is een strategie opgesteld aan de hand van een risicoanalyse.
Objecten
Indien in een bestemmingsplan is aangegeven dat er alleen gesloopt mag worden als er een omgevingsvergunning is verleend, is sprake van bepaalde bestemmingen of waarden.
Dit soort vergunningen komt vrijwel niet voor (in 2016 één keer).
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) dat het slopen op basis van het planologisch kader één van de grootste risico’s vormt c.q. het meest kwetsbaar zijn.
Bij deze sloopactiviteit wordt dan ook de controlefrequentie gevolgd als voor het meest kwetsbare gebouwtype zijnde categorie 6 ‘publiekstoegankelijk bouwwerken’ en monumenten. De inspectiematrix hiervoor is opgenomen in bijlage 7.
Inzet specialisten
Deze controles worden zoveel mogelijk uitgevoerd samen met specialisten op dit gebied.
2.8Activiteit het uitvoeren van een werk
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te controleren of werken worden uitgevoerd conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust. Zoals reeds aangegeven bij de toetsing van de vergunningsaanvraag zijn de regels per bestemmingsplan verschillend.
Centrale vraag
Welke werkzaamheden worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Het aantal werken is op jaarbasis beperkt. Aangezien de beoordeling maatwerk is en duidelijke regels in de bestemmingsplannen zijn opgenomen is gekozen voor een hierbij passende werkwijze.
Aan de hand van een risicoanalyse wordt de omvang van de risico’s bepaald.
Beleid
Uit de risicoanalyse (bijlage 2) blijkt dat de risico’s bij het uitvoeren van een werk klein zijn. Er wordt dan ook in principe geen controle uitgevoerd bij deze activiteit.
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, aantasting landschap, grote hoeveelheden grondverzet, onvoldoende vertrouwen in de uitvoering e.d.) wel een reden zijn om toch één of meerdere controles uit te voeren. De vergunningverlener maakt op basis van de uitgebrachte adviezen en de aard / omvang van een aanvraag de afweging hierin. De controles hebben het werkniveau 3 (representatief). Dit niveau is gekozen in verband met de mogelijke impact van de werkzaamheden op de ruimtelijke kwaliteit.
De toezichthouder bepaalt aan de hand van de aangetroffen situatie of nog extra hercontroles noodzakelijk zijn.
2.9Activiteit in strijd met regels van het planologisch kader
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te controleren of werken worden uitgevoerd conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke werkzaamheden worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Tijdens deze controles kan reeds een indruk worden verkregen of het bouwwerk of de gronden conform de vergunning gebruikt zullen gaan worden. Er kan pas daadwerkelijk worden nagegaan of het gebruik conform vergunning is als de activiteit is uitgevoerd i.c. sprake is van een eindcontrole.
Aan de hand van een risicoanalyse wordt de omvang van de risico’s bepaald.
Beleid
Binnen één maand na oplevering van activiteiten vindt bij twijfel altijd expliciet een eindcontrole plaats ten aanzien van het gebruik van bouwwerken en gronden. Deze controle heeft het werkniveau 3 (representatief). Met een dergelijke controle wordt de realisatiefase afgerond.
Indien sprake is van een enkelvoudige aanvraag zijnde een zogenaamd kruimelgeval of een binnenplanse ontheffing zijn de risico’s respectievelijk beperkt en klein. In dergelijke gevallen vindt in principe geen controle plaats.
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, onvoldoende vertrouwen in de uitvoering e.d.) wel een reden zijn om toch één of meerdere controles uit te voeren. De vergunningverlener maakt op basis van de uitgebrachte adviezen en de aard / omvang van een aanvraag de afweging hierin. De controles hebben het werkniveau 3 (representatief). Dit niveau is gekozen in verband met de mogelijke impact van de werkzaamheden op de ruimtelijke kwaliteit.
De toezichthouder bepaalt aan de hand van de aangetroffen situatie of nog extra hercontroles noodzakelijk zijn.
2.10Activiteit het exploiteren van een milieu-inrichting
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of een gebouw gebruikt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust. De Wabo geeft daarnaast aan dat regelmatig moet worden bezien of verleende vergunningen voldoen aan het zogenaamde principe van “best beschikbare technieken”.
Daarnaast heeft de gemeente de taak om te beschikken over een up-to-date inrichtingenbestand.
De inrichtingen die onder de zogenaamde ‘basistaken’ vallen, worden in dit omgevingsbeleidsplan niet meegenomen aangezien hiervoor ingevolge het Besluit omgevingsrecht een separaat beleidsplan dient te worden opgesteld dat uniform is voor alle gemeenten die deelnemen aan de RUD Zuid Limburg.
Centrale vraag
Welke activiteiten/inrichtingen worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Het toezicht vindt plaats aan de hand van een risicoanalyse per branche. De inrichtingen worden periodiek gecontroleerd.
Daarnaast dient sprake te zijn van een up-to-date inrichtingenbestand. Hiervoor is het noodzakelijk te controleren of er mutaties zijn in het inrichtingen bestand. Dit kan zowel administratief en fysiek worden uitgevoerd.
Typologie inrichtingen
Een activiteit binnen een bedrijf betekent niet altijd dat sprake is van een inrichting. Hiervoor dient te worden getoetst aan bijlage 1 van het BOR. De inrichtingen zijn ingevolge het Activiteitenbesluit ingedeeld in een viertal basis typen inrichtingen:
Type A-inrichtingen: inrichtingen die geen meldingen Activiteitenbesluit hoeven in te dienen maar wel aan de voorschriften van het besluit moeten voldoen;
Type B-inrichtingen: inrichtingen die een meldingen Activiteitenbesluit moeten indienen en aan de voorschriften van het besluit moeten voldoen;
Type B-OBM inrichtingen: inrichtingen die een meldingen Activiteitenbesluit moeten indienen en aan de voorschriften van het besluit moeten voldoen. Tevens dienen zij een omgevingsvergunning beperkte milieutoets in te dienen;
Type C-inrichtingen: Inrichtingen die vergunningplichtig zijn en gedeeltelijk aan het Activiteitenbesluit moeten voldoen.
De type C, B-OBM en bepaalde branches type B-bedrijven vallen onder de basistaken en het toezicht hiervan ligt bij de RUD. Deze inrichtingen worden in dit beleid niet verder meegenomen.
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) per branche.
Vervolgens is de frequentie bepaald op basis van de grootte van het risico, de ervaringsgegevens en de beschikbare capaciteit.
inrichtingen met een zeer groot risico worden 1 maal per 2 jaar gecontroleerd;
Inrichtingen met een groot risico worden 1 maal per 4 jaar gecontroleerd;
Inrichtingen met een beperkt risico worden 1 maal per 5 jaar gecontroleerd;
Inrichtingen met een klein en zeer klein risico worden 1 maal per 10 jaar gecontroleerd;
Categorie A inrichtingen worden in principe niet periodiek gecontroleerd.
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, onvoldoende vertrouwen e.d.) wel een reden zijn om toch een periodieke controle uit te voeren. Dit gebeurt meestal nadat een melding is geweest van overlast, gevaar e.d.. Na afhandeling van deze melding kan dan nog een extra controle worden uitgevoerd één en ander afhankelijk van beoordeling door de toezichthouder.
Een oplevercontrole van een nieuwe inrichting die een melding indient wordt als eerste periodieke controle vastgelegd. Deze eerste periodieke controle wordt integraal uitgevoerd bij de oplevering van het gebouw.
Individuele locaties kunnen in aanmerking komen voor het intensiveren van de controlefrequentie bij zware overtredingen en/of recidive.
Individuele locaties kunnen in aanmerking komen voor het beperken van de controlefrequentie bij een goede naleving.
Voor het actueel houden van het inrichtingen bestand wordt 1 maal in de 5 jaar een inventariserende controle uitgevoerd op één van de drie bedrijfsterreinen.
Daarnaast wordt 1 maal in de vijf jaar een analyse van het Kamer van Koophandel bestand binnen de gemeente uitgevoerd.
Inzet specialisten / flexteam
De controles op de bedrijventerreinen worden uitgevoerd door een flexteam (zie verder 2.2.6).
2.11Activiteit het kappen van bomen
Inleiding
In de Bomenverordening Eijsden-Margraten staat vermeld of en onder welke omstandigheden een vergunning nodig is voor de activiteit van het kappen van bomen en welke de eventuele voorwaarden zijn.
Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Wanneer wordt het kappen van bomen gecontroleerd?
Strategie
De strategie wordt afgestemd op het feit dat de gemeente op basis van haar eigen risicoanalyse een gedifferentieerd beleid heeft geformuleerd. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden gekoppeld in verband met herplantplicht binnen een bepaalde termijn.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Uit de risicoanalyse blijkt dat het kappen van bomen een klein risico vormen. Het kappen van bomen wordt dan ook in principe niet gecontroleerd .
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, herplantplicht, onvoldoende vertrouwen e.d.) wel een reden zijn om toch een controle uit te voeren. Met name als herplantplicht wordt voorgeschreven vindt na de planttermijn een controle plaats.
2.12Activiteit het aanleggen van een uitweg
Inleiding
In de APV van de gemeente Eijsden-Margraten is opgenomen dat het verboden is een uitweg aan te leggen. In de “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg” Eijsden-Margraten staat vermeld of en onder welke omstandigheden een vergunning verleend kan worden en wat de eventuele voorwaarden zijn.
Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Wanneer wordt het aanleggen van een uitweg gecontroleerd?
Strategie
De strategie wordt afgestemd op het feit dat de gemeente op basis van haar eigen risicoanalyse een gedifferentieerd beleid heeft geformuleerd.
Indien sprake is van een uitweg, waarbij gemeentelijk openbaar gebied moet worden aangepast vindt de uitvoering van de activiteiten plaats door de gemeentelijke buitendienst of door derden in opdracht van deze dienst.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Uit de risicoanalyse blijkt dat het aanleggen van een uitrit een klein risico vormt. Deze activiteit wordt dan ook in principe niet gecontroleerd. Daarnaast wordt de aanleg van de uitweg in veel gevallen gerealiseerd door de gemeentelijke buitendienst.
2.13Het intrekken van omgevingsvergunningen
Inleiding
Door of namens burgemeester en wethouders kan op grond van het gestelde in de Wabo de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.
Centrale vraag
Wanneer worden ingetrokken vergunningen gecontroleerd?
Strategie
Er is sprake van twee verschillen de situatie:
De vergunning wordt ingetrokken voordat uitvoering is gegeven aan de vergunning of
De vergunning wordt ingetrokken nadat hieraan uitvoering is gegeven. In dit laatste geval is meestal sprake van handhavingsprocedure.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Vergunningen die worden ingetrokken voordat hieraan uitvoering is gegevens worden in principe niet gecontroleerd.
Wordt de vergunning ingetrokken naar aanleiding van een handhavingsprocedure en/of spoedeisende bestuursdwang vinden altijd in het kader van dit traject meerdere controles plaats zoals bepaald in het juridisch traject. Eén en ander is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3 ‘beleid handhaving’.
2.14Evenementen
Inleiding
In het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening worden vergunningen verleend voor evenementen en/of meldingen behandeld. De toezichthouders Wabo zijn tevens toezichthouders voor deze activiteiten voor wat betreft de constructieve veiligheid en brandveiligheid. Voor de volledigheid is derhalve het toezichtbeleid voor deze activiteit vastgesteld.
Dit beleid heeft geen betrekking op de algemene veiligheid zoals dit door de Ambtenaar Openbare Orde en Veiligheid wordt uitgevoerd.
Centrale vraag
Wanneer worden evenementen gecontroleerd?
Strategie
De risico’s van de activiteiten brandveiligheid en constructieve veiligheid bij evenementen worden opgenomen in de risicoanalyse.
Typologie evenementen
Er wordt in de gemeente onderscheid gemaakt in drie type evenementen gebaseerd op de risicoscan van de Veiligheidsregio Zuid Limburg:
Type A-evenementen: deze evenementen zijn meldingplichtig;
Type B-evenementen: deze evenementen zijn vergunningplichtig, hebben een redelijk aantal bezoekers en maken gebruik van een tent of andere constructie;
Type C-evenementen: omvangrijke internationale evenementen met bijvoorbeeld meerdere tenten en constructies, veel geluidsemissie, vaak een (gemeente)grensoverschrijdend karakter.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Type B en C evenementen worden gecontroleerd vóór dat het evenement plaatsvindt. Die controles zijn te onderscheiden in:
Constructies. In het kader van de vergunningverlening zijn de ingediende constructieve gegevens door een deskundige gecontroleerd en akkoord bevonden. Na het opzetten van de tent en/of de constructie worden deze fysiek gecontroleerd.
Evenementen die jaarlijks plaatsvinden en steeds gebruikmaken van dezelfde tenten en constructies en waarbij het naleef gedrag zeer goed is, worden minder intensief of niet gecontroleerd.
Brandveiligheid: gecontroleerd wordt of voldaan wordt aan de brandveiligheidsvoorschriften. Deze controle wordt uitgevoerd samen met de brandweer.
Type A evenementen worden in principe niet gecontroleerd. Het kan echter zijn dat sprake is van een nieuw evenement of van een bijzondere omstandigheid c.q overlast meldingen. Dan wordt hier een controle uitgevoerd tijdens het evenement.
2.15Overige Wet- en regelgeving
Inleiding
In het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening en overige wetten worden vergunningen verleend voor bepaalde activiteiten. Denk hierbij aan drank- en horecavergunningen, speelautomatenvergunningen, geluidsontheffingen, kinderopvang e.d.. De toezichthouders Wabo zijn tevens toezichthouders voor dit soort activiteiten
Centrale vraag
Wanneer worden deze vergunningen / ontheffingen gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Deze activiteiten worden opgenomen in een risicoanalyse.
Ten aanzien van het toezicht op de Wet kinderopvang geldt een speciale regeling die is overeengekomen met de GGD.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Aan de hand van de risicoanalyse blijkt dat deze activiteiten een zeer klein risico vormen. Ze worden in principe niet gecontroleerd. In het kader van integraal werken worden deze soort vergunningen / ontheffingen wel meegenomen tijdens controles bij inrichtingen.
Daarnaast kan sprake zijn van specifieke omstandigheden waarbij wel actief toezicht wordt gehouden. Dit volgt meestal naar aanleiding van een handhavingszaak. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.
Voor toezicht op de Wet kinderopvang geldt de “beleidsregel Handhavingsprotocol kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen Eijsden-Margraten 2012” (12IN005577).
De GGD voert de fysieke locatiecontroles uit bij wijzigingen, nieuwe registraties en steekproefsgewijs. De gemeente voert vervolgens de schriftelijke communicatie en eventueel het handhavingstraject uit. Tevens worden de resultaten ingevoerd in het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen.
2.16Themagericht toezicht
Inleiding
Het houden van inspecties op basis van thema’s, die worden opgelegd vanuit de landelijke overheid of andere instanties. Calamiteiten in het land, zoals met de balkons, gevelbeplating, platte daken, kunnen aanleiding zijn voor de toezichthouders om gemeenten op te dragen tot onderzoek over te gaan. Dergelijke verzoeken kunnen ook voortkomen uit regionale of lokale situaties. Daarnaast kunnen de andere vormen van programmatisch toezicht, besproken in de voorgaande paragrafen, aanleiding vormen om bepaalde thema’s er uit te lichten en aan een gedetailleerder onderzoek te onderwerpen.
Centrale vraag
Hoe wordt omgegaan met themagericht toezicht?
Strategie
Als naar aanleiding van ontwikkelingen een projectmatige aanpak ten aanzien van een thema noodzakelijk is kan dit geregeld worden via een bestuursopdracht (voor zover deze taken daar belegd zijn).
Artikel 2.
Beleid Toezicht
Onderdeel van Integraal Omgevingsbeleidsplan VTH Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving Wabo 2022