1.
De hoogte van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening in natura die in eenzelfde situatie kan worden toegekend.
Indien nodig wordt het budget aangevuld met een bedrag waarmee de voorziening in stand gehouden kan worden. Het persoonsgebonden budget kan ook bestaan uit een vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.
2.
Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het is verstrekt. De budgethouder is verplicht hiertoe de stukken die het college in dit verband noodzakelijk acht, op verzoek van het college per omgaande te verstrekken.