Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.2

Constatering bewoning en bewijs

Onderdeel van Beleid permanente bewoning van recreatieverblijven Gemeente Lopik 2009

Het is aan de gemeente om te bewijzen dat iemand permanent in een recreatieverblijf woont. Het is mogelijk om tegenbewijs te leveren. De betrokkene zal moeten aantonen dat hij/zij elders een hoofdverblijf heeft. De permanente bewoning kan op verschillende manieren worden geconstateerd. De belangrijkste aanwijzing dat er sprake is van permanente bewoning is echter een inschrijving in de GBA op het adres waar het recreatieverblijf zich bevindt. Hoewel dit een sterk vermoeden van permanente bewoning geeft, is dit niet genoeg bewijs om een handhavingzaak te beginnen. Er moet nog minimaal een tweede bewijsstuk worden gevonden. Hierbij kan worden gedacht aan het volgende: gegevens uit het Kadaster; gegevens uit het Handelsregister; gegevens van de Belastingdienst (hypotheekrenteaftrek); gegevens van de Rijksdienst voor Wegverkeer; gegevens uit de gemeentelijke administratie; verklaringen van bewoners, eigenaren van recreatieterreinen of derden; rapporten van waarnemingen van de toezichthouders bij controles; • informatie uit het nachtregister; overige bewijsmiddelen. In het geval dat er geen inschrijving in de GBA is, kan het handhavingdossier ook bestaan uit een combinatie van andere bewijsmiddelen. Wanneer er sprake is van een vermoeden van permanente bewoning, wordt betrokkene per brief geïnformeerd van het vermoeden en van het feit dat mogelijk een handhavingprocedure zal worden opgestart. Vervolgens wordt een dossier met bewijsmiddelen aangelegd. Op de aanleg van een dergelijk dossier is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing. Bij het College bescherming persoonsgegevens moet gemeld worden dat er ten behoeve van de aanpak van permanente bewoning van recreatieverblijven persoonsgegevens worden verwerkt. In de constateringbrief wordt betrokkene op de hoogte gesteld van de verwerking van de persoonsgegevens.

Rechtspraak bij dit artikel