10.2.1 Stap 1: landschap en bodem
Allereerst is gekeken naar de landschappelijke basis en bodemopbouw. Bodemkundige, geomorfologische en geologische eenheden (hoog/laag; droog/nat; nabijheid van water) geven een eerste indicatie voor de aantrekkelijkheid van het landschap voor de mens in het verleden – en daarmee voor de kans op aanwezigheid van resten van bewoning en gebruik door de prehistorische en middeleeuwse mens. Als ondergrond voor de archeologische verwachtingenkaart zijn de verschillende landschapsontwikkelingsfasen (kaarten 2-4) tot één kaartbeeld samengevoegd. Tezamen geven zij de ligging aan van fossiele beddinggordels en crevassen in de huidige ondergrond, alsmede de minder diep gelegen en vaak nog (gedeeltelijk)56Vastgesteld op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). zichtbare stroomruggen.
Dit levert de volgende, theoretische ‘basisverwachting’ op voor de trefkans op archeologische sporen/resten:
hooggelegen gebieden/terreinen (oeverwallen/beddinggordel van de Lek): hoge verwachting;
hogergelegen delen van het terrein (fossiele beddinggordels/stroomruggen): hoge verwachting;
dieper gelegen fossiele stroomstelsels: middelhoge verwachting;
laaggelegen (natte) gebieden (komgebieden): lage verwachting.
Er is geen archeologische verwachting voor de pleistocene ondergrond (dieper dan 5-8 m –mv) opgenomen. Zie hierover paragraaf 10.3.
10.2.2 Stap 2: Archeologische waarden en verificatie AMK-terreinen (dorpskernen)
Aan de basisverwachting (stap 1) zijn vervolgens toegevoegd de terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: terreinen waarvan de aanwezigheid van een archeologische vindplaats door waarderend archeologisch onderzoek is vastgesteld. Het betreft hier dus ruimtelijk begrensde percelen. In formele termen: het gaat hier om monumenten (al dan niet met beschermde status).
Op kaart 8 zijn deze terreinen onderverdeeld in ‘archeologisch monument’ en ‘archeologisch waardevol terrein’:
de legenda-eenheid ‘archeologisch monument’ omvat die terreinen die door het rijk zijn aangewezen als beschermd archeologisch terreinen en als zodanig ook niet onder het gemeentelijk AMZ-beleid van Lopik vallen. Voor elke bodemingreep op deze terreinen is een monumentenvergunning van het rijk/RCE noodzakelijk. Het AMK-terrein met de resten van Kasteel Jaarsveld is door het rijk aangewezen als archeologisch monument.57NB: rijksbeschermde monumenten vallen niet onder het bevoegd gezag van de gemeente en vallen buiten het kader van het gemeentelijk archeologiebeleid en beleidskaart. Voor alle bodemingrepen op het terrein is een monumentenvergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig. Ondanks dat de gemeente hier niet optreedt als bevoegd gezag is dit terrein voor de volledigheid wel aan het kaartbeeld toegevoegd;
de legenda-eenheid ‘archeologisch waardevol terrein’ betreft terreinen die opgenomen zijn op de door rijk en provincie vastgestelde Archeologische Monumentenkaart (AMK), en als zodanig worden aangeduid als AMK-terreinen. In Lopik gaat het om terreinen met vindplaatsen uit de prehistorie (Steentijd/Bronstijd/IJzertijd), één uit de Romeinse tijd en het grootste deel uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op kaart 8 is de onderverdeling in terreinen van ‘zeer hoge waarde’, ‘hoge waarde’ en ‘van waarde’ van de AMK losgelaten en samengevoegd tot één categorie.
Dorpskernen
Op verzoek van de gemeente Lopik is speciale aandacht besteed aan de omvang en ruimtelijke begrenzing van de ‘terreinen van hoge archeologische waarde’ in de dorpen Cabauw en Lopik, zoals vermeld op de provinciale Archeologische Monumentenkaart (AMK). In veel dorpskernen is de aanwijzing en begrenzing als AMK-terrein gebaseerd op de omvang van de dorpskern zoals vermeld op 19de-eeuwse kadastrale kaarten. Op basis daarvan is afgeleid waar de oorspronkelijke kern van de nederzetting heeft gelegen en wordt aangenomen dat daarvan de archeologische sporen nog aanwezig zijn. Dat betekent ook dat de hoge archeologische waarde van dorpskernen niet per definitie is gebaseerd op feitelijk vastgestelde archeologische waarden en waarderend archeologisch onderzoek. Voor de kernen Jaarsveld, Lopikerkapel en Benschop is er voldoende archeologische informatie om de hoge archeologische waarde van de provinciale AMK te handhaven en over te nemen op de gemeentelijke kaart.58Jaarsveld (monument 873): relatie met kasteel Jaarsveld; Lopikerkapel (monument 12.076): relatie met Huis te Vliet ( monument 067 en versterkte hofstede, monument 066); Benschop: aanwijzingen voor tufstenen voorloper van de kerk.Klasse: hoge waarde. Dit is echter niet het geval in de kernen van Polsbroek (monument 12.021), Lopik (monument 12.025) en Cabauw (monument 12.024): hier wordt de (aanzienlijke) omvang van deze terreinen van hoge waarde niet nader gesteund door daadwerkelijke archeologische vondsten/waarnemingen of waarderend onderzoek.59Ook in het kader van het project ‘Herwaardering AMK-terreinen’ is op deze terreinen geen waarderend booronderzoek verricht. Met het oog op haar aanwijzende rol en verantwoordelijkheid als bevoegd gezag geeft de gemeente Lopik er bij deze terreinen daarom de voorkeur aan om op de gemeentelijke kaart niet de begrenzingen van de AMK over te nemen. In plaats daarvan wordt het terrein van archeologische waarde op de gemeentelijke verwachtingenkaart teruggebracht tot het gebied rond de kerk, de ‘kern’ van de nederzetting. Dit wordt onderbouwd door de resultaten van de veldinspectie, die werd verricht in het kader van dit project (zie bijlage 6). De delen van het AMK-terrein waarvan de archeologische ‘waarde’ onvoldoende wordt onderbouwd, worden opgenomen als hoge verwachting – waarmee ze worden gelijkgeschakeld met de bewoningslinten/ontginningsassen waarvan zij deel uitmaken. Door deze aanpak is vooral het AMK-terrein in Cabauw in zijn ruimtelijke begrenzing sterk gereduceerd. Klasse: hoge verwachting.
10.2.3 Stap 3: Cultuurhistorie
Aan het kaartbeeld is de informatie van de cultuurhistorische inventarisatiekaarten (kaart 6 en 7) toegevoegd waaraan een archeologische verwachting kan worden gekoppeld. Dit betreft in alle gevallen ‘jonge’ archeologie ofwel potentiële informatiebronnen voor de lokale en regionale ontginnings- en bewoningsgeschiedenis vanaf de Late Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) tot ver in de Nieuwe tijd (1500heden). Opgenomen zijn:
de historische ontginninsgassen/bewoningslinten (klasse: hoge verwachting);
cultuurhistorische objecten en structuren met een archeologische verwachting voor de thema’s bewoning (kaart 6) en waterstaat/verdediging (kaart 7) (klasse: hoge verwachting);
De mogelijke locatie van het voormalige versterkte huis Ter Heul (oudste vermelding 1338) nabij de Lopikerweg Oost is in het kader van dit project nader onderzocht door middel van een verkennend veldonderzoek. De vraag was of er voldoende aanwijzingen waren om aan de locatie een hoge verwachting of waarde te verbinden, en zo ja de ruimtelijke begrenzing daarvan vast te stellen. De resultaten gaven hiertoe niet voldoende aanleiding; dit wordt nader toegelicht in bijlage 6.
Aan locaties en objecten die samenhangen met militair erfgoed uit de periode 1940-1960 (zie legendaeenheid op kaart 7) is geen archeologische verwachting gekoppeld.60Formeel gesproken heeft archeologie betrekking op zaken met een ouderdom van meer dan vijftig jaar. Of de gemeente hierin een taak voor zichzelf ziet, kan eventueel in het kader van het monumentenbeleid of mogelijk toekomstig integraal erfgoedbeleid worden bekeken.
Als specifieke categorie (klasse: attenderend) zijn aan de kaart toegevoegd de locatie van gebouwde (rijks- en gemeentelijke) monumenten. De cultuurhistorische waarde daarvan kan in principe een indicatie zijn voor de aard en aanwezigheid van jong-archeologische resten in de nabijheid.
Daar komt bij dat in de bodem onder en rondom deze bouwwerken waardevol bodemarchief bewaard gebleven kan zijn. Dit kan bestaan uit:
restanten van een voorloper of een oudere fase van het desbetreffende bouwwerk, waarbij ook bovengronds nog oudere delen aanwezig zijn, die (soms niet of nauwelijks zichtbaar) zijn verwerkt in de bestaande constructie. Bouwhistorisch onderzoek kan hierover uitsluitsel geven;61Zie ook hoofdstuk 3 (Beleidsnota/deel A).
archeologische sporen/resten uit oudere perioden. Onder vloeren en verharding van (met name grotere) bouwwerken kan een intact bodemprofiel geconserveerd zijn, waarin oudere archeologische sporen en resten bewaard zijn gebleven. Hiermee dient rekening te worden gehouden in het geval van restauratie, onderhoud en modernisering of herontwikkeling.
10.2.4 Stap 4: verstoringen
Veelal blijkt dat potentieel kansrijke zones dat in werkelijkheid niet meer zijn, meestal als gevolg van 20steeeuwse ontwikkelingen zoals verstedelijking, dorpsuitbreiding, aanleg infrastructuur, modernisering, ruilverkaveling, milieusanering, etc. Door zoveel mogelijk van deze verstoringen van de ondergrond in kaart te brengen kan de archeologische basisverwachting realistisch worden bijgesteld. De gebruikswaarde van de opgestelde archeologische kaarten wordt daarmee aanzienlijk verhoogd. Hiertoe is zoveel mogelijk ‘harde’ informatie verzameld over de aantasting van het bodemarchief:
onderzoek op terreinen die hebben geresulteerd in een negatief selectiebesluit door de bevoegde overheid (geen behoudenswaardige sporen aanwezig) of waar aanwezige archeologische sporen door opgraving zijn verwijderd;
Locaties met gedocumenteerd grootschalig grondverzet: milieusanering, ontgronding, diepe onderkeldering (o.a. parkeerkelders);
Naoorlogse uitbreidingswijken buiten de oude woonkernen. Het betreft in veel gevallen terreinen die door lage en natte ligging intensief en diep zijn onderheid. Op grond daarvan wordt ervan uitgegaan dat op deze plaatsen geen verwachting meer is op het aantreffen van ongestoord bodemarchief.
De genoemde zones zijn op de verwachtingenkaart grijs gekleurd (geen verwachting).62Voor het in kaart brengen van de verstoringen van het bodemarchief is gebruik gemaakt van de beschikbare bodemkaarten, topografische kaarten (voor het in kaart brengen van grootschalige naoorlogse uitbreidingswijken), archeologische onderzoeksrapporten en informatie aangeleverd door de gemeente.
Opmerking: kaart 8 geeft geen volledig beeld van de daadwerkelijke graad van verstoring van het bodemarchief door recent en historisch bodemgebruik. Informatie over de staat van de ondergrond is in Lopik niet centraal gearchiveerd. Gegevens over grootschalig grondverzet, sanering, afgraving, hoogbouw en leeftijd van wijken zijn daarom door Vestigia verzameld in samenwerking met de gemeente. Als criteria voor opname op de verwachtingenkaart golden dat het om grootschalige verstoringen moest gaan en de informatie te verifiëren dan wel te motiveren is. Vooral kleinschalige locaties en niet-geadministreerde afgravingen en ontgrondingen (zowel recent als historisch) zijn daarom buiten beeld gebleven.
10.2.5 Stap 5: informatie buiten de gemeentegrens
De archeologische verwachtingen binnen de gemeentegrenzen zijn gecheckt met de archeologische informatie uit de ‘bufferzone’ rondom de gemeentegrens (zie archeologische inventarisatiekaart, kaart 5).63Voor de gemeente Lopik betreft de informatie uit de ‘bufferzone’ informatie uit de gemeenten Montfoort, Oudewater, Vlist, Schoonhoven, Liesveld, Zederik, Vianen en IJsselstein. Dit geeft in het westen van de gemeente aanleiding tot een kleine uitbreiding aan de oostzijde van het monument Zevender (11.570) met een zone van hoge verwachting. De contouren van de uitbreiding zijn gebaseerd op geologische gegevens over de omvang van de donk die zich in de ondergrond bevindt en waarop prehistorische resten kunnen worden verwacht.
10.2.6 Stap 6: legenda-eenheden
Het bovenstaande resulteert in de volgende klassen/legenda-eenheden op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart:
WAARDEN- EN VERWACHTINGENKAART GEMEENTE LOPIK
Archeologisch monument
Rijksbeschermde archeologische terreinen (ex artikel 3 van de
Monumentenwet)
Terrein van
archeologische waarde
AMK-terreinen/gewaardeerde vindplaatsen
Hoog
Cultuurhistorische elementen en terreinen (bewoningslinten, oude woonplaatsen) met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (‘jonge archeologie’; relatie cultuurhistorie/ monumenten)
Landschappelijke eenheden (jongere beddinggordels/stroomruggen) met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden (prehistorie t/m Nieuwe tijd)
Middelhoog
Oudere, dieper gelegen stroomgordels en crevassen, met een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische waarden (Vroege en Late
Prehistorie)
Laag
Landschappelijke eenheden (komgronden) met een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden
Geen
Zones waar het bodemarchief is verstoord of waar op basis van eerder archeologisch onderzoek de aanwezigheid van archeologie reeds is uitgesloten of archeologie door middel van een definitieve opgraving ex situ is veiliggesteld
Archeologische waarneming
Gebouwd monument (rijks- en gemeentelijk)
Hoofdstuk 10
Artikel 10.2
Afweging en motivatie t.b.v. het archeologische verwachtingsmodel
Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik