Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 11.5

Meldingsplicht, toevalsvondsten en gemeentelijk risicomanagement

Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik

Bij de verlening van vergunningen voor grondverstorende activiteiten zal door de gemeente Lopik altijd de volgende zinsnede worden opgenomen: Een persoon die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt, waarvan deze weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), is verplicht hiervan binnen drie dagen aangifte te doen (artikel 53 Monumentenwet 1988). Deze aangifte dient te gebeuren bij de burgemeester van de gemeente. Dit is de wettelijke meldingsplicht voor ‘toevalsvondsten’ die voor elke burger geldt. In praktijk melden veel toevallige vinders zich met hun vondst bij de gemeente. Geadviseerd wordt om er in dat geval als gemeente zorg voor te dragen dat de vondst “zo spoedig mogelijk wordt gemeld bij Onze minister”, dat wil zeggen: bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Binnen de gemeentelijke organisatie wordt een medewerker aangewezen die verantwoordelijk is voor het ontvangen en doorgeven van toevalsvondsten. Als ‘toevalsvondsten’ gelden ook archeologische resten die aan het licht komen tijdens bodemingrepen: op een terrein waarvoor door het bevoegd gezag een vergunning is verleend op basis van een afgeronde AMZ-procedure; in zones die de gemeente op de archeologische beleidskaart bij voorbaat zijn gedeselecteerd, dat wil zeggen zones waar geen archeologische verplichtingen worden opgelegd omdat de kans op behoudenswaardige archeologie laag werd geacht; binnen de marges van de ontheffingen (d.w.z. bij bodemingrepen die vanwege omvang en diepte als niet-vergunningplichtig zijn aangemerkt). In elk geval zal in zo’n situatie naar bevind van zaken moeten worden gehandeld (zie ook bijlage 4, punt 4).

Rechtspraak bij dit artikel