Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 11.4

Toelichting en motivatie

Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik

Bovenvermelde onderzoekseisen, diepte- en oppervlakteontheffingen zijn zodanig gekozen dat alleen archeologisch-kansrijke situaties onder de invloedssfeer van de Monumentenwet c.q. het gemeentelijk archeologiebeleid komen te vallen. Onder kansrijk wordt verstaan: daar waar kan worden gemotiveerd dat door nader archeologisch (voor)onderzoek kenniswinst kan worden geboekt. Hiermee weegt de gemeente Lopik bij de invulling van de gemeentelijke archeologische zorgplicht de archeologisch-inhoudelijke argumenten af tegen het belang van andersoortige gemeentelijke taken en belangen (economie, ruimtelijke ontwikkeling, etc.). Deze beleidsmatige keuzes zullen planologisch worden vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Hiervoor zijn in bijlage 8 voorbeeld-planregels opgenomen. Er is een statistische relatie tussen de omvang van ruimtelijke ontwikkelingen en bodemingrepen in archeologische verwachtingszones en de kans dat onderzoek in het plangebied ook bruikbare informatie oplevert (kenniswinst).67Voor de relatie tussen archeologische verwachting en kansrijke onderzoeksomvang, zie ook Verhagen & Defilet 2009; Hessing, Weerheijm & Schrijvers 2009. Archeologisch (voor)onderzoek in zeer kleine plangebieden levert zelden (waardevolle) archeologische resten of vindplaatsen op, terwijl de kosten voor het onderzoek relatief hoog zijn.68Zie interim-regeling provinciale ontheffing archeologietoets (www.stamu.nl), gebaseerd op het onderzoek van Hazenberg et al. 2007. De provinciale ontheffingsregeling is door de provincie vastgelegd in het Streekplan en de Handleiding Bestemmingsplannen. De provinciale interimregeling werd opgesteld na inwerkingtreding van de Wamz (1 september 2007; decentralisatie bevoegd gezag naar gemeenten) en werd tot de invoering van de ‘nieuwe’ Wro (1juli 2008) door de provincie gehanteerd bij de beoordeling van artikel 19procedures en de goedkeuring van (de archeologische paragraaf in) gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit geldt overigens niet voor onderzoek op een bekende vindplaats of in een historische woonkern; in die gevallen kan ook een ingreep van minder dan 100m2 schade toebrengen aan de informatiewaarde van het bodemarchief. Voor de vaststelling van het gemeentelijk ontheffingenbeleid (dat wil zeggen de gemotiveerde afwijking van de ondergrens van 100m2 uit de Monumentenwet) heeft Lopik de adviezen en inbreng afgewogen van adviesbureau Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, de leden van de stuurgroep, de projectgroep (medewerkers gemeenten Montfoort, Oudewater en de gemeentearcheoloog van Woerden) en de provinciaal archeoloog en komt op basis daarvan tot een afwijking van de wettelijke ondergrens in de volgende zones: Categorie 3: terreinen/zones met een hoge archeologische verwachting: 200m2. Deze ondergrens geldt zowel voor bewoningslinten en oude woonplaatsen (cultuurhistorische terreinen/elementen) als voor landschappelijke eenheden/elementen (jongere beddinggordels/stroomruggen). Met de keuze voor verlaging van de onderzoekeis van 100 naar 200m2 worden de regeldruk en kosten voor archeologie teruggebracht (zowel voor het bevoegd gezag als voor de burger/terreineigenaar/initiatiefnemer), terwijl nog ruimschoots wordt voldaan aan de archeologische zorgplicht. Hiermee sluit Lopik aan bij de beleidsmatige keuzes van Montfoort en Oudewater,69De gemeente Woerden kiest in deze zone voor een strakkere ondergrens van 100m2. waarbij wordt opgemerkt dat Lopik en Montfoort voor deze zone kiezen voor een grotere ontheffingsdiepte (50 cm –mv; in Oudewater en Woerden: 30cm –mv); Categorie 4: terreinen/zones met een middelhoge archeologische verwachting: 2.500m2. De reden voor verlaging van de onderzoekeis van 100 naar 2.500m2 is gebaseerd op een afweging van (maatschappelijke) kosten en (wetenschappelijke) baten. Statistisch gesproken is in deze zone een groot onderzoeksgebied nodig om voldoende kans te maken dat archeologisch vooronderzoek ook kenniswinst oplevert. Met de norm van 2.500mrd wordt aangesloten bij het provinciale beleid en bij de beleidsmatige keuzes van Montfoort en Oudewater in deze zone;70De gemeente Woerden kiest in deze zone voor een strakkere ondergrens van 1.000m2. Categorie 5: terreinen/zones met een lage archeologische verwachting: geen onderzoekeisen, mits het een m.e.r.-plichtig project betreft. Hiermee sluit Lopik aan bij de keuzes van Oudewater en Montfoort.71De gemeente Woerden kiest in deze zone voor een strakkere ondergrens van 10.000m2. De reden om hier alleen bij zeer grootschalige ontwikkelingen archeologisch vooronderzoek te verrichten, is gebaseerd op een afweging van (maatschappelijke) kosten en (wetenschappelijke) baten. Statistisch gesproken is in deze zone een zeer groot onderzoeksgebied nodig om voldoende kans te maken dat archeologisch vooronderzoek ook kenniswinst oplevert. Wat betreft de vrijgestelde diepte voor bodemingrepen: hiervoor kiest de gemeente voor drie verschillende ontheffingsdiepten (respectievelijk 30 cm –mv, 50 cm –mv en 1 m -mv), afhankelijk van de betreffende archeologische beleidscategorie: Op terreinen waar de aanwezigheid van archeologische resten is vastgesteld (categorie 2) geldt een ontheffingsdiepte voor bodemingrepen tot 30 cm –mv. Lopik sluit daarmee aan bij het provinciale beleid – met dien verstande dat Lopik de 30cm-norm alleen hanteert in gebieden met een archeologische waarde. In zones van categorie 3 (hoge verwachting) wordt een ontheffingsdiepte gehanteerd van 50 cm –mv. Hiermee kiest Lopik voor een scenario dat maatschappelijk uitvoerbaar en toch verantwoord is, zowel met het oog op de regeldruk (hoeveelheid vergunningprocedures) als met het oog op handhaving. Archeologisch-inhoudelijk is deze keuze goed te motiveren, omdat de praktijk uitwijst dat de moderne bouwvoor (dat wil zeggen de verstoorde bovengrond) in het algemeen dikker is dan de bovengenoemde 30 cm die archeologen daarvoor vaak hanteren. Als gevolg van het intensieve gebruik van de bovengrond (zowel in bebouwd als buitengebied) door grootschalig bodemverzet en moderne landbouw- en grondbewerkingstechnieken (ploegen, scheuren, etc.) is de kans dat binnen een halve meter onder maaiveld nog intacte archeologische lagen worden aangetroffen gering. In zones van categorie 4 geldt een ontheffingsdiepte van 1m –mv. De keuze voor 1 m is gebaseerd op het feit dat deze categorie bestaat uit diepere beddinggordels en crevassen in de ondergrond (zie ook hoofdstuk 7). Eventuele archeologische niveaus lopen dus alleen gevaar bij minder gangbare, diepere bodemingrepen. Opmerking: op de maatregelenkaart zijn geen specifieke maatregelen opgenomen voor de pleistocene ondergrond van de gemeente. Zoals vermeld in paragraaf 10.3 zijn de beschikbare geologische data niet voldoende accuraat om op gemeentelijk niveau een voorspelling te doen over de aanwezigheid en locatie van eventuele vroegprehistorische resten in de diepe ondergrond. Het beleid van de gemeente Lopik is dat bij de planning en voorbereiding van diepe bodemingrepen (dieper dan 5-8 m –mv, zoals zandwinning of grootschalige infrastructurele werken) in overleg met de veroorzaker per geval zal worden bekeken of, en zo ja, op welke wijze met mogelijke resten in de pleistocene ondergrond rekening dient te worden gehouden.

Rechtspraak bij dit artikel