De context voor opstelling van een gemeentelijk archeologiebeleid is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 in werking is getreden. Deze wet omvat een wijziging van de Monumentenwet, de Wet milieubeheer, de Woningwet en de Ontgrondingenwet. Sedert die datum zijn gemeenten op basis van artikel 38a van de herziene Monumentenwet verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen (en de bestemming van gronden) “rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten”. Hiermee is het Europese Verdrag van Malta (of Valletta), dat in 1992 door Nederland werd ondertekend, na vele jaren van voorbereiding in de Nederlandse wetgeving verankerd.
In Nederland speelt het grootste deel van de besluiten zich af op gemeentelijk niveau. Bij de implementatie van het Verdrag is in ons land daarom een centrale rol toebedeeld aan gemeenten en het instrument bestemmingsplan. Het uitgangspunt van ‘Malta’ is dat de restanten van vroegere samenlevingen, die overal in de bodem verborgen liggen, als gemeenschappelijk Europees erfgoed beschermd en beheerd moeten worden.9Voor de verdragstekst, zie o.a. www.erfgoednederland.nl
Dit betekent voor gemeenten dat:
archeologische waarden van meet af aan in de plannen voor ruimtelijke inrichting moeten worden meegewogen;
archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven (‘behoud in situ’);
initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten verplicht kunnen worden om de kosten van archeologisch vooronderzoek te dragen en – als behouden niet mogelijk is – verantwoordelijk zijn voor de kosten van een opgraving. Dit is het zogenaamde ‘veroorzakerprincipe’ ofwel ‘de verstoorder betaalt’.
Tegelijkertijd is het bevoegd gezag inzake behoud en beheer van het bodemarchief voor het overgrote deel naar gemeentelijk niveau gedecentraliseerd. De gemeente mag daarbij binnen de kaders van het bestemmingsplan en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur haar eigen beleidsinhoudelijke en financiële afwegingen maken. Hoe die belangenafweging uitvalt, is uiteindelijk een kwestie van democratische besluitvorming binnen een gemeente. Het is duidelijk dat provincie en Rijk daarbij stimuleren dat (conform het Belvedèrebeleid)10In de Nota Belvedère (1999) en de Nota Ruimte (2006) worden archeologische overblijfselen gelijkgesteld aan het (meestal beter zichtbare) bouwkundig en landschappelijk erfgoed. Het credo daarbij is ‘behoud door ontwikkeling’. Dat wil zeggen: het aanwezige erfgoed moet een bron van inspiratie worden voor vernieuwing en verandering, waardoor het behoud ervan ook op langere termijn wordt veiliggesteld. cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk worden beschermd en gehanteerd als inspiratiebron voor de ruimtelijke kwaliteit, behoud en versterking van cultuurhistorische identiteit, regionale eigenheid en leefkwaliteit. Gecombineerd met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is behoud en beheer van het bodemarchief daarmee integraal verankerd in het ruimtelijke ordeningsproces van de gemeenten. Hiermee is de uitvoering van de Monumentenwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening een primair gemeentelijke opgave geworden. Het bestemmingsplan staat daarbij centraal. Dit komt tot uitdrukking in het Besluit ruimtelijke ordening, waarin wordt gesteld dat de toelichting (van het bestemmingsplan) dient te bevatten ‘’een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”(Bro art. 3.1.6 sub 2a).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Malta, Wamz, Monumentenwet en Wro
Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik