2.3.1 De opgave
De gemeentelijke opgave op basis van de Wamz/herziene Monumentenwet 1988 kan als volgt worden samengevat:
Gemeenten houden bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen (Monumentenwet art. 38a).
In het bestemmingsplan wordt vastgelegd welke gevolgen de gemeente verbindt aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen bij bodemverstorende activiteiten. Op die manier weet de potentiële verstoorder op voorhand waar hij aan toe is wanneer hij plannen maakt voor een bepaalde locatie.
Via een stelsel van voorschriften en aanlegvergunningen wordt aangegeven welke voorwaarden de gemeente verbindt aan ruimtelijke ingrepen in gebieden met een archeologische verwachting.
De gemeente ziet toe op de naleving van de vergunningsvoorschriften (handhaving).
De gemeente is verantwoordelijk voor, en aanspreekbaar op, haar archeologische beslissingen en keuzes.
2.3.2 Beleidsruimte
Een belangrijke maatwerkoptie voor de invulling van de archeologische zorgplicht, is de gelegenheid die de Monumentenwet biedt voor een gemeentelijk ontheffingsbeleid. Om te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen niet onevenredig worden belast met kosten voor archeologie wordt in artikel 41a van de Monumentenwet namelijk gesteld dat ingrepen van 100 m² of minder niet onder de werking van de Monumentenwet vallen. In het betreffende artikel wordt daaraan toegevoegd dat de gemeenteraad een afwijkende oppervlakte kan vaststellen. Deze mogelijkheid tot bijstelling van de 100m2-grens (zowel naar boven als beneden) biedt voor gemeenten de mogelijkheid om de beleidsmatige omgang met het bodemarchief in te vullen afhankelijk van de plaatselijke situatie.11Archeologisch (voor)onderzoek bij bodemingrepen met een zeer klein oppervlak levert niet altijd zinvolle informatie op, tenzij het gaat om een al bekende vindplaats of binnen historische woonkernen of de binnenstad. In dat geval kan zelfs een ingreep van minder dan 100m2 schade toebrengen aan het bodemarchief. Voorwaarde is dat het selectie- en ontheffingsbeleid archeologisch-inhoudelijk onderbouwd en bestuurlijk is vastgesteld.12Dat dit als voorwaarde mag worden opgevat, vloeit voort uit het gebruik van de term “in het belang van de archeologische monumentenzorg” in verschillende artikelen binnen hoofdstuk 5 (Archeologische monumentenzorg) van de Monumentenwet. Zie ook: Luinge 2009, p. 18.