Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

Informatiewaarde

Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik

Ondanks dat er relatief weinig archeologische vindplaatsen in Lopik bekend zijn (de landelijke archeologische database Archis vermeldt ca. 25 vindplaatsen) heeft het bodemarchief van Lopik een potentieel belangrijke informatiewaarde. De relatieve onbekendheid kan voor een deel te wijten zijn aan de ligging van de oudere riviersystemen in de ondergrond, waardoor archeologische bewoningsniveaus bij normaal bodemgebruik niet snel aan het licht komen. In principe bood het rivierenlandschap namelijk sinds de prehistorie goede mogelijkheden voor gebruik door de mens. Tijdelijke of permanente bewoning was mogelijk op de hogere oeverwallen en fossiele beddingen van niet meer actieve riviersystemen. De overgangsgebieden van hoog/droog naar laag/nat waren rijk aan biodiversiteit en dus aantrekkelijk voor jagen, verzamelen en vissen. Woonplaatsen die al tijdens de prehistorie werden afgedekt met rivierklei of langzaam verdwenen onder zich uitbreidend veen zullen in principe goed geconserveerd zijn. Ze kunnen echter ook zijn verspoeld of ‘opgeruimd’ door jongere rivieractiviteit. De oudste vondsten binnen de gemeente Lopik dateren uit het Mesolithicum (Midden-Steentijd; 8800-4900 voor Chr.): het betreft sporen van een kampement van jagerverzamelaars op een fossiel rivierduin (donk) in Zevender (monument 11570). Vanaf het Neolithicum (overgang naar landbouwbestaan) waren de zandige oeverwallen langs de actieve waterlopen geschikt voor prehistorische landbouw en werd het vee waarschijnlijk in de lagere, nattere terreinen geweid. Aan deze zeer oude vorm van gemengd bedrijf kwam in de Lopikerwaard pas in de loop van de 19de eeuw definitief een einde: nog tot die tijd werd er door de boeren (kleinschalig en vooral voor eigen gebruik) op de stroomruggen geakkerd. Ten noordoosten van de bewoningskern Lopik bevindt zich een waardevol cluster van nederzettingsterreinen (mogelijk met bijbehorende akkers) uit de late prehistorie (Bronstijd-IJzertijd), die destijds op de oeverwal langs een restgeul van de Lopiker stroomgordel lagen (monumenten 11910 t/m 11914; Eerste Wetering en Achterwetering). De resten zijn goed geconserveerd gebleven doordat de nederzetting door overstroming met een laag klei werd bedekt. Een tweede belangrijke vindplaats, uit de Midden-Bronstijd (ca. 1800-1100 voor Chr.), bevindt zich ten westen van Benschop (monument 2957). De sporen bevinden zich tussen 35 en 100 cm onder maaiveld op de oeverwal van een restgeul van de Bloklandse stroomgordel. Daar waar de fossiele riviersystemen zich vlak onder maaiveld bevinden, kunnen archeologische resten zich zelfs in of net onder de bouwvoor bevinden – waardoor ze kwetsbaar zijn voor bodemingrepen. In dat geval kan het bodemarchief zijn aangetast of ongezien verdwenen door agrarische werkzaamheden, egalisatie, ruilverkaveling, maar ook door bebouwing en andere bodemingrepen.15Op basis van het onderzoek van Groenewoudt (1994) wordt geschat dat sinds de Tweede Wereldoorlog ca. 35% van het Nederlandse bodemarchief op deze manier is verdwenen of aangetast. In polder de Batuwe werd bijvoorbeeld aan maaiveld Romeins aardewerk aangetroffen. Veldonderzoek door middel van boringen wees erop dat zich 40 cm onder maaiveld een bewoningslaag uit de Late IJzertijd/Romeinse tijd (ca. 200 voor Chr.- 200 na Chr.) bevindt. Dit doet vermoeden dat de vindplaats (wellicht een nederzetting/huisplaats), gelegen op een oeverwal van de Lopiker stroomgordel, tenminste voor een deel is verploegd. Het overgrote deel van de archeologische informatie uit Lopik betreft echter vondsten en sporen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd – de periode van de ontginning en openlegging van het gebied. Tussen 1000 en 1250 werden grote stukken wildernis in het Hollands-Stichtse grensgebied aan ontginners uitgegeven. Hiermee werd de basis gelegd voor de huidige inrichting en gebruik van het landschap. Van de vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) en Nieuwe tijd (1500-heden) wordt gewezen op de reeks woonterpen en mogelijke woonterpen langs het bewoningslint Polsbroek-Benschop, het terrein van kasteel Jaarsveld (monument 873), Huis te Vliet (monument 12067), restanten van hofstede te Vliet (monument 12066), de historische kernen van de dorpen binnen de gemeente, de voorloper van de kerk van Benschop, restanten van oude bebouwing, e.d. Veel waarnemingen en vondstmeldingen beperken zich echter ook tot de vondst van aardewerk of baksteenresten. Het archeologische beeld is daarmee veelzijdig maar tegelijk ook zo diffuus dat de archeologische bijdrage aan de verdieping van kennis over de middeleeuwse en nieuwetijdse geschiedenis van de gemeente en regio nog beperkt is. Een samenhangend beeld van belangrijke archeologische en historische thema’s zoals de ontginningsgeschiedenis, de ontwikkeling van lokale en regionale machtsstructuren, premoderne economie, ontbreekt.16Afgezien van het werk van Ooyevaar (o.a. 1990). Hier ligt een uitdaging voor de toekomst, mede gezien de constatering in de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie waar er in zijn algemeenheid op wordt gewezen dat de jonge archeologie van het landelijk gebied en de ontwikkeling van de kleinere (stads- en dorps)kernen nog een ‘witte plek’ is.17Groenewoudt et al. 2006, par. 2.9.1. De auteurs wijzen er daarbij op dat terreinen in dorpskernen en kleine steden nog vaak zonder enige vorm van bouwhistorisch en/of archeologisch vooronderzoek en/of begeleiding bouwrijp worden gemaakt.

Rechtspraak bij dit artikel