7.2.1 Algemeen
Bepalend voor het landschap tot op de dag van vandaag is de stapeling van verschillende fossiele beddinggordels en crevassen in de huidige ondergrond, alsmede de minder diep gelegen en vaak nog (gedeeltelijk) zichtbare stroomruggen (kaart 1).
De landschapsontwikkeling en de daaraan gekoppelde mogelijkheden en onmogelijkheden voor bewoning is gevisualiseerd in drie paleogeografische reconstructies van het rivierenlandschap in Lopik (kaart 2-4), respectievelijk rond het begin van onze jaartelling, omstreeks 1000 na Chr., en omstreeks 1500 na Chr.
De keuze voor deze momenten heeft zowel methodische als archeologisch-inhoudelijke redenen. Ten eerste zijn de geologische basisgegevens voor deze perioden voldoende betrouwbaar en gedetailleerd voor gebruik op deze (gemeentelijke) schaal. Dit geldt niet voor de pleistocene ondergrond en de eerste periode van het Holoceen. Door hun schaal en opzet zijn zij niet geschikt voor betrouwbare vertaling naar een verwachtingsmodel op gemeentelijk niveau. Ten tweede zijn deze perioden relevant vanuit zowel geolandschappelijk als archeologisch perspectief. De kaartbeelden zijn betrouwbare momentopnamen in de complexe gelaagdheid van het bodemarchief. De informatie van deze kaarten wordt in hoofdstuk 10 gebruikt voor de opstelling van een gemeentedekkend archeologisch verwachtingsmodel.
Elke paleogeografische momentopname (kaart 2-4) is voorzien van de archeologische informatie die uit de voorgaande perioden bekend is. Hierdoor ontstaat een eerste inzicht in de locatiekeuze van de mens in de verschillende archeologische perioden en de sterk wisselende mogelijkheden voor bewoning en gebruik in het dynamische rivierenlandschap.
Het beeld van de fossiele beddingsgordels en crevassen in de ondergrond zoals dat naar voren komt uit de hoogtekaart (kaart 1) en de verschillende momentopnamen uit de landschapsontwikkeling zoals opgenomen in de drie paleogeografische kaarten (kaarten 2-4) zijn gecombineerd in (cumulatief) in de ondergrond van de archeologische inventarisatiekaart (kaart 5).
7.2.2 Per kaart
Kaart 1: Hoogtekaart
De kaart geeft de hoogte van het maaiveld weer gebaseerd op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De hoogteligging loopt uiteen van ongeveer 1,5 m -NAP in het noordwestelijke deel van de gemeente (Polsbroek e.o.) tot ca. 3 m +NAP in het zuidoosten (uiterwaarden van de Lek).
Kaart 2: Paleogeografie rond het begin van onze jaartelling
De kaart geeft een reconstructie van het landschap rond het begin van onze jaartelling. Aangegeven zijn de beddinggordel en crevassen van de Lek, die inmiddels actief was geworden, aangevuld met de op dat moment niet meer actieve (‘fossiele’) beddinggordels en crevassen, alsmede de kom(klei)gebieden.
Daarop geplot is de archeologische informatie uit de perioden voor het einde van de IJzertijd. Op de oevers van de Lek zijn geen archeologische waarnemingen bekend. Dit is wel het geval op de dat moment niet meer actieve, oudere beddinggordels (bijvoorbeeld de Lopikse stroomrug).
Kaart 3: Paleogeografie rond 1000 AD
De kaart geeft een reconstructie van het landschap rond 1000 na Chr. Aangegeven zijn de op dat moment nog steeds actieve beddinggordel en crevassen van de Lek, aangevuld met niet-meer actieve (‘fossiele’) beddinggordels en crevassen, alsmede de kom(klei)gebieden. Daarop geplot is de beschikbare archeologische informatie uit de Romeinse tijd; waarnemingen uit de Vroege Middeleeuwen zijn niet bekend. Op de oevers van de Lek zijn geen archeologische waarnemingen bekend. Dit is wel het geval op de op dat moment niet meer actieve, oudere beddinggordels (bijvoorbeeld de Lopikse stroomrug).
Kaart 4: Paleografie rond 1500 AD
De kaart geeft een reconstructie van het landschap rond 1500 na Chr. Aangegeven zijn de op dat moment nog steeds actieve beddinggordel van de Lek, aangevuld met niet-meer actieve (‘fossiele’) beddinggordels en crevassen, alsmede de kom(klei)gebieden. De grote rivieren zijn inmiddels bedijkt en vastgelegd door middel van kribben, waardoor in de komgebieden geen sedimentatie meer plaatsvond.
Daarop geplot is de archeologische informatie uit de Late Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) en Nieuwe tijd (1500-heden).
7.3 Geologisch profiel
Afbeelding 3 biedt een doorsnede (profiel) door het noordelijke deel van het rivierengebied.41Het geologisch profiel is opgesteld op basis van boorkarteringen die door M. Gouw (Vestigia) werden verricht en geanalyseerd in het kader van zijn promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht. Het in dit rapport opgenomen geologische profiel is afkomstig uit zijn proefschrift (Gouw 2007). In het profiel zijn alle afzettingen te vinden die in dit hoofdstuk zijn beschreven, inclusief hun ouderdom. Van deze gegevens is gebruik gemaakt bij het vaststellen van locatie en diepte van mogelijk archeologisch-relevante bodemlagen voor het archeologische verwachtingsmodel dat voor de gemeente Lopik is opgesteld (zie hoofdstuk 10 en kaart 8).
De doorsnede van het profiel loopt van de Lek bij Lopik, via de Hollandsche IJssel bij Montfoort, tot de Oude Rijn ten westen van Utrecht. Aangegeven is de nummering van de beddinggordels conform Berendsen en Stouthamer 2001. Voor dezelfde informatie wordt verwezen naar het legendablad behorende bij kaart 5 (archeologische inventarisatiekaart), waarop ook de ouderdom (periode van activiteit) van de verschillende beddinggordels is opgenomen.
Beschrijving
De basis van het profiel in afbeelding 3 wordt gevormd door de pleistocene afzettingen, waarvan de top op 5-8 m -NAP ligt. Ten zuiden van km 40 bestaan deze uit fluviatiele afzettingen (Formatie van Kreftenheye), ten noorden ervan uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden).
In het zuidelijke deel van het profiel ligt veen (Formatie van Nieuwkoop) op de pleistocene afzettingen. De veenvorming in het gebied begon rond 8000 jaar voor heden (zie datering 25). Tussen km 35 en 40 van het profiel liggen holocene rivierafzettingen direct op de pleistocene ondergrond. Dit zijn sedimenten die behoren tot het Benschopse riviersysteem (beddinggordels 15 en 187). Deze sedimenten worden in het grootste deel van het profiel bedekt door veen, maar rond km 35 wordt het veen onderbroken door sedimenten van het Graafse riviersysteem (nummers 23, 54 en 100). Aan maaiveld liggen sedimenten van de jongste riviersystemen, in het profiel gevormd door de Lek en de Hollandsche IJssel (Krimpense systeem). De Oude Rijn (Utrechtse systeem) is in het uiterste noorden van het profiel te vinden.
Hoofdstuk
Artikel 7.2
Beschrijving kaarten 1-440Voor de brongegevens, zie de samenvatting van de kaarten (technische colofon) in hoofdstuk 12.
Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik