Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 9

Artikel 9.3

Cultuurhistorie en bewoningsgeschiedenis na 1000

Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik

Tussen 1000 en 1250 werden grote stukken wildernis in het Hollands-Stichtse grensgebied aan ontginners uitgegeven. De hoger gelegen delen in dit gebied van actieve en verlande stroomstelsels werden gebruikt voor de landbouw, voornamelijk graan, de lagere delen voor de veeteelt. Met de toename van de bevolking nam ook de behoefte aan landbouwgrond toe. Behalve uit economische overwegingen is het niet toevallig dat de ontginning juist in dit gebied grootschalige vormen aannam. Ingeklemd tussen de invloedssferen van de graven van Holland in het westen en de bisschop van Utrecht in het oosten was de uitgifte van gronden en de ontginning daarvan de manier om lokale families aan zich te binden en daarmee verzekerd te zijn van hun loyaliteit, inkomsten en militaire steun. Op hun beurt wisten de nieuwe heren op deze wijze een lokale en regionale machtsbasis op te bouwen. Dit netwerk van allianties was door de eeuwen heen de motor van de geschiedenis van dit deel van Nederland. Binnen de regio zelf leidde het mozaïek aan allianties tot elkaar beconcurrerende regionale heren, hun families en afhankelijken. De tastbare getuigenissen daarvan zijn terug te vinden in vormen van bewoning en landgebruik (ontginningsassen, historische stads- en dorpskernen, bewoningslinten, kerken, boerderijen, kastelen, versterkte hofsteden, molens, e.d.). Een overzicht van deze objecten en structuren is te vinden op kaart 6 (thema: bewoning). De verdediging tegen twee gevaren die telkens op de loer bleven liggen – het water en de vijand – is nauw verweven met bovenstaande geschiedenis. Het leverde een ingenieus systeem van waterbeheersing op waarmee de ontgonnen gebieden tegen het water werden beschermd,54Zoals bekend had de ontwatering van de venen tot gevolg dat de bodem daalde en het water van alle kanten op dit gebied toestroomde. maar dat later ook effectief werd ingezet voor defensie. De Hollandse Waterlinie met zijn inundatiesluizen en linies is hiervan het bekende resultaat. De moerasdelen die de bisschop van Utrecht ter ontginning uitgaf werden systematisch ontwaterd. Dwars op een bestaande of gegraven afwatering werden op vaste afstanden sloten gegraven, terwijl om het hele gebied een dijkje of kade werd gelegd om gebiedsvreemd water te weren. Dit staat bekend als de "copeontginning" en wordt gekenmerkt door de lange smalle kavels, vaak met een standaardmaatvoering. De oude benaming "cope" stond voor de overeenkomst die de graaf of bisschop met de ontginners sloot en is nog terug te vinden in diverse plaats- en poldernamen, zoals Benschop en Willeskop. De waterbeheersing vormde een gezamenlijke inspanning van de ingezetenen. Aanleg en onderhoud van sloten, dijken en wegen was van levensbelang. De organisatie van dit onderhoud vormde de basis voor de waterschappen. De afwatering van de waterschappen, die aanvankelijk rechtstreeks op vooral de Rijn en de IJssel plaatsvond, werd door daling van de bodem en dichtslibbing van de rivieren steeds problematischer. Het werd nodig het water omhoog te brengen, hetgeen vanaf de vijftiende eeuw werd gerealiseerd door middel van watermolens. Eeuwenlang hebben deze molens het waterpeil in de polders en waterschappen op de gewenste hoogte gehouden. De uitvinding van de stoommachine betekende echter het einde voor het grootste deel van de voor het Nederlandse landschap zo kenmerkende molens. Met meer gemak en niet afhankelijk van wind konden de stoomgemalen (vanaf ca. 1870) het water wegwerken. In de twintigste eeuw werd vaak de stoommachine vervangen door een dieselmotor en later vooral door een elektrische aandrijving. Objecten en structuren die samenhangen met het thema waterstaat en defensie zijn geïnventariseerd op kaart 7.

Rechtspraak bij dit artikel