Gemeente Lopik is een gebied met een kenmerkende cultuurhistorische identiteit en met grote landschapswaarde. Met Montfoort, Oudewater en IJsselstein vormt Lopik de Lopikerwaard, begrensd door de Hollandsche IJssel, Vlist en Lek.
De landbouw is, ondanks dat zij allang niet meer de enige economische functie in het gebied is, nog steeds nadrukkelijk aanwezig, met name de melkveehouderij. Daarnaast hebben andere vormen van bedrijvigheid en wonen een plaats gevonden in de lintbebouwing.
3.2.1 Bestemmingsplan Landelijk Gebied
In het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (Gemeente Lopik, 2007a) van de gemeente Lopik wordt het beleidskader voor het agrarisch buitengebied op detailniveau weergegeven.
Het bestemmingsplan geeft voor de landbouw aan dat van de 6.221 ha cultuurgrond 5.460 ha voor rekening wordt genomen door de graasdierbedrijven. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de rundveehouderij duidelijk de belangrijkste sector vormt. Verder geeft het bestemmingsplan aan dat van de 270 agrarische bedrijven 238 bedrijven dit als hoofdberoep hadden. Hiervan is 82% graasdierbedrijf, 3% hokdierbedrijf, 5% gecombineerd bedrijf en de rest is akkerbouw of tuinbouw. Overigens komt intensieve veehouderij (varkens, kippen, kalveren) als kleine neventak op rundveebedrijven binnen de gemeente nog relatief veel voor en heeft zo’n 8,5% van de landbouwers verbrede landbouw (groene diensten) als neventak.
Voor het toekomstperspectief haalt het bestemmingsplan de schaalvergroting aan, waarbij wegens de verscherpte milieuregels ook gedacht wordt aan extensivering, uitbreiding/aanpassing van gebouwen en het vrijkomen van bedrijfsgebouwen wanneer neventakken of hele bedrijven beëindigd worden. Vergroting van de bedrijven kan in dat geval perspectief bieden doordat machines en gebouwen efficiënter kunnen worden benut. Het bestemmingsplan geeft aan dat intensivering in de veehouderij onwaarschijnlijk lijkt gezien de beperkingen die recentelijk zijn en worden opgelegd aan de varkenshouderij en aan de pluimveehouderij, maar intensivering in de veehouderij is wel mogelijk.
Uit de enquêtes bij het bestemmingsplan blijkt dat de bestaande agrarische bedrijven de stankhinderproblematiek ervaren als een knelpunt. Zeker als in de toekomst agrarische bedrijven beëindigd worden en een milieugevoeliger vervolgfunctie krijgen (wonen, verblijfsrecreatie), zal dit de ontwikkelingsmogelijkheden van overige agrarische bedrijven kunnen beperken. Dit heeft ook met name te maken met de bebouwingslinten waar de burgers en agrarische bedrijven naast elkaar liggen (zie figuur 4 landschapsstructuur). Daar komt bij dat de nieuwe niet-agrarische bedrijvigheid onder andere verkeersoverlast kan veroorzaken. De, plaatselijk matige, infrastructuur wordt door de agrarische sector nu al als problematisch ervaren. Specialisatie in de vorm van streekeigen, kwaliteits- of biologische producten (zelf kazen, zuivel-/vleesverkoop aan huis) kan voor bedrijven het inkomen verhogen.
Uit de geïnventariseerde tendensen zijn in het bestemmingsplan de volgende ruimtelijke eisen:
binnen de bouwvlakken zal voldoende ruimte moeten zijn voor het aanpassen en uitbreiden van de bedrijfsbebouwing als gevolg van milieu-, dierwelzijn- en diergezondheidsvoorschriften en schaalvergroting of intensivering/specialisatie/verbreding;
ook voor eventuele agrarisch verwante en niet-agrarische nevenactiviteiten dient ruimte te worden geboden binnen de agrarische bouwvlakken;
voor vrijkomende agrarische gebouwen en bedrijfscomplexen dient zorgvuldig te worden nagegaan welke vervolgfuncties toegestaan kunnen worden, opdat de omringende agrarische bedrijven niet belemmerd worden in hun ontwikkeling (milieu, ontsluiting);
het agrarisch grondgebruik dient zo vrij mogelijk te worden gelaten opdat de ondernemers kunnen inspelen op de marktontwikkelingen;
vrijwillig agrarisch natuurbeheer en -productie zullen leiden tot hogere natuurwaarden op agrarische gronden; dit dient niet te leiden tot een strengere planologische regelgeving, omdat de bereidheid tot agrarisch natuurbeheer hierdoor naar verwachting zal afnemen;
ruimte om de productieomstandigheden te blijven optimaliseren;
zekerheid op langere termijn omtrent bovenstaande factoren.
Om de beleidsuitgangspunten binnen het plangebied te differentiëren is het buitengebied van Lopik opgedeeld in verschillende zones (zie figuur 5). Over de grondgebonden veehouderij (zoals bijvoorbeeld melkrundveehouderijen of paardenfokkerij) is in het bestemmingsplan in het kader van de zonering aangegeven dat het hele plangebied, gezien het karakter van bodem en waterhuishouding, hiervoor bij uitstek geschikt is. Nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven wordt nergens mogelijk gemaakt. Wel zullen de bestaande intensieve veehouderijbedrijven kunnen uitbreiden, voor zover de milieuregelgeving dit toelaat. Het bestemmingsplan geeft hierbij aan dat er een beleidsregel voor stankhinder opgesteld zal worden die hieraan invulling gaat geven. Intensieve veehouderij als neventak bij bestaande bedrijven wordt daarmee mogelijk gemaakt, daar waar dit binnen de milieuregelgeving van het rijk en de gemeente mogelijk en wenselijk is.
In het bestemmingsplan is aangegeven dat de neventak nooit meer dan 70% van de hoofdtak mag bedragen en omschakelen van intensieve veehouderijen als neventak naar hoofdtak is alleen mogelijk met een vrijstelling van het bestemmingsplan en beëindiging van de hoofdtak.
Foto 9: extensief rundveebedrijf
3.2.2 Beleidsplan Recreatie en Toerisme
Om meer sturing te geven in de gewenste recreatieve inrichting van het buitengebied van Lopik is een beleidsvisie (Gemeente Lopik, 2005) ontwikkeld, waarin de gemeente zichzelf een missie geeft. Op basis van inventariserende gesprekken en workshops met ondernemers die zowel uitbreidingsplannen als nieuwe plannen in het gebied voor ogen hebben, is een analyse uitgevoerd, waarmee een actieprogramma is vormgegeven om recreatie en toerisme te optimaliseren. De doelgroep voor de recreatie zijn vooral dagjesmensen die komen wandelen en fietsen (zie figuur 6). In de gemeente Lopik komen acht kampeerterreinen voor en een recreatiepark dat in eigendom is bij een Vereniging van eigenaren. Daarnaast zijn er 1 hotel, diverse bed & breakfastadressen en ca. 10 café-restaurants aanwezig. Het bestemmingsplan geeft aan dat rust, ruimte en natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden die het gebied voor recreatief medegebruik aantrekkelijk maken behouden moeten blijven. (Agrarische) ondernemers worden gestimuleerd om karaktervolle accommodaties te ontwikkelen, in verbondenheid met de omgeving. Het bieden van dagrecreatieve mogelijkheden sluit aan bij de benadering van verblijfsrecreatie en wordt als volgt voorgesteld. Het aanbieden van dagrecreatie geschiedt in de gebouwen op het erf en de (agrarische) gronden, al dan niet in combinatie met verblijfsrecreatie of ander niet recreatief gebruik. Het aanbieden van dagrecreatie wordt gezien als een belangrijke bijdrage aan plattelandstoerisme (mede als slecht weer voorziening).
Vanuit deze visie gaat het om dagrecreatie die aansluit bij het profiel van niet geurgevoelige extensieve recreatie zoals wandelen en fietsen, en van beleving van landschap, landbouw en voedsel, natuur, water en erfgoed. De aard van de dagrecreatie wordt niet gezocht in nieuwe discotheken, indoorfeesten en dergelijke (geen grootschalige recreatie). Een goede landschappelijke inpassing is voorwaarde voor vergunningverlening van de recreatieve bedrijven. Door de klassieke landbouw met melkvee en graslanden wordt de openheid van het landschap echter gewaarborgd. Vanuit de workshop plattelandsontwikkeling is daarom ook meegegeven dat voldoende perspectief voor de veehouderij moet blijven en een aantal voorwaarden voor voortbestaan klassieke landbouw zijn:
verdieping bouwpercelen;
geen woningbouw, behoudens leegkomende agrarische gebouwen;
geen belemmeringen opwerpen bij functiewisseling;
geen wijziging in de waterhuishouding;
ruimte voor verplaatsing naar het open weidegebied openhouden;
verbrede landbouw mag niet belemmerend zijn voor klassieke landbouw;
verbrede landbouw kan naast klassieke landbouw of biologische landbouw, maar is een keuze van de agrariër;
in VAB’s geen industrie, transportsector, groeiende en gevaarlijke bedrijven, grote buitenopslag.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2
Ruimtelijk beleid op gemeentelijk niveau
Onderdeel van Geurgebiedsvisie Lopik