Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.1

Karakter van de te bepalen deelgebieden

Onderdeel van Geurgebiedsvisie Lopik

In hoofdstuk 1 is aangegeven dat de Wgv voor de gemeente Lopik, gelegen in een niet-concentratiegebied, onderscheid maakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Voor beide gebieden gelden respectievelijk de vaste afstanden van 100 en 50 meter en de geurwaarde van 2,0 en 8,0 odour units per kubieke meter lucht. Om maatwerk te leveren is het van belang het grondgebied aan de hand van de bestaande ruimtelijke visies en plannen, zoals onder meer beschreven in hoofdstuk 3, onder te verdelen in subgebieden. Als basis kan hiervoor de gebiedsindeling worden gebuikt uit een reconstructieplan. Voor gemeente Lopik geldt echter geen reconstructie, waardoor hier maatwerk wordt toegepast. De gebiedsindeling is aan de hand van de bestaande plannen en visies en in overleg met de medewerkers van de gemeente Lopik op kaart begrensd. Als basis is hiervoor de gebiedsindeling gebruikt uit de eerder opgestelde beleidsregel stankhinder (gemeente Lopik, 1999). Deze kaart maakt, voor de rechtszekerheid, onderdeel uit van de verordening. De gebieden zijn onderverdeeld in een drietal omgevingskarakters: landelijke bebouwde kom; gemengd gebied met burgerwoningen en bedrijven; gebied met hoofdzakelijk agrariërs. Door deze omschrijvingen af te bakenen en te specificeren maakt de gemeente haar eigen beleidskeuzen op basis van gebiedseigenschappen. Dit geeft niet alleen maatwerk, maar doet ook recht aan de specifieke situaties en wensen van de belanghebbenden. Voor de grenzen van te onderscheiden gebieden is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande natuurlijke grenzen afgestemd op de feitelijke situatie ter plaatse. Zie hiervoor figuur 7. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: de deelgebieden sluiten aan bij de begripsomschrijving zoals hiervoor is opgesomd; de deelgebieden sluiten aan bij de toekomstige ruimtelijk inrichting zoals weergegeven in paragraaf 3.3; voor elk deelgebied wordt afgewogen welke hinderpercentage toelaatbaar is zoals weergegeven in paragraaf 5.2.1; voor de verblijfsrecreatie en dagrecreatie als geurgevoelig object geen bescherming is toegekend, omdat dit in het buitengebied vrijwel uitsluitend sportparken of campings zijn. 4.1.1 Landelijke bebouwde kom Lopik en Benschop vormen een duidelijke centrumfunctie binnen de gemeente. Er zijn wijken, winkelgebieden, scholen, kerken, etc.. Toch onderscheiden de woonkernen zich niet van de andere meer kleinere en landelijke woonkernen door de verwevenheid en ligging tussen de agrarische bedrijven. De kommen zijn in het Streekplan wel beide als groeikernen aangemerkt. Polsbroek, Cabauw, Lopikerkapel, Jaarsveld en Uitweg vormen een bebouwingsconcentratie in het buitengebied met een beperkte centrumfunctie. De dorpen liggen in een overwegend agrarisch gebied en rondom, tegen en zelfs in de bebouwde kom zijn diverse agrarische bedrijven gelegen. Het aantal woningen bedroeg in deze dorpen: 2.057 in Lopik; 765 in Benschop; 223 in Polsbroek; 155 in Cabauw; 120 in Lopikerkapel; 111 in Jaarsveld; 94 in Uitweg. bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daar permanent of een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt. Een tent of caravan is geen gebouw en een toiletgebouw of kleedruimte wordt niet gebruikt voor langdurig menselijk verblijf. Dit is aanzienlijk lager dan bijvoorbeeld een buurgemeente IJsselstein en de dorpen binnen de gemeente Lopik danken hun bestaan ook vanuit de ontwikkeling van de landbouw in het poldergebied. Het gebied rondom deze relatief kleine kernen is ook als agrarisch gebied bestemd. Foto 10: bord bebouwde kom Jaarsveld 4.1.2 Gemengd gebied burgerwoningen en bedrijven Een gebied buiten de bebouwde kom met veel burgerwoningen is meestal een bebouwingslint langs een dijk of weg. Binnen de gemeente Lopik is de lintbebouwing een van de specifieke gebiedskenmerken met de dubbelzijdige lintvormige bebouwing langs de weteringen. De beleidsregel stankhinder (gemeente Lopik, 1999) geeft hierover aan dat wegens het gemengde karakter van agrarische bedrijven en burgers in deze lintbebouwing, de vraag ontstaat wanneer echt sprake is van lintbebouwing , waarbij de woonfunctie een overwegend karakter geeft. De beleidsregel geeft aan dat een lintvormige bebouwing ook voor grote delen overwegend uit agrarische bedrijven bestaat, waarbij geen sprake is van een omgevingscategorie II (lintbebouwing met hoofdzakelijk burgerwoningen). Veel van de niet-agrarische bebouwing had vroeger (vaak recent) wel een agrarische functie. De beleidsregel geeft hierover aan dat van een overwegende woonfunctie sprake is als er in het lint met grote regelmaat clusters van meer dan 4 burgerwoningen zijn. Uit de beleidsregel blijkt dat de dubbelzijdige bebouwingslinten van Polsbroek tot de gemeentegrens met IJsselstein en van de gemeentegrens van Schoonhoven tot Lopikerkapel tot de lintbebouwing behoort. Hierin is ook het buurtschap Polsbroekerdam opgenomen. Het gebied rond het buurtschap Willige Langerak langs de Lekdijk tot aan Lopik vormt een gemengd gebied met diverse (voormalige) boerderijen. Het gebied is gemengd, omdat vele van deze boerderijen niet meer worden benut voor agrarische doeleinden. Het gebied heeft net als de rest van de gemeente Lopik een duidelijk landelijk en agrarisch karakter, waarbij lintvormige bebouwing met afwisselend agrarische bedrijven en burgerwoningen (en andere functies) een heel specifiek en kenmerkend landschap vormt. Foto 11: bedrijventerrein Met betrekking tot het industrieterrein De Copen met circa 50 panden kan worden opgemerkt dat deze, gelet op de grootte, ligging en gebruiksintensiteit qua geurbescherming gelijk kan worden gesteld met gemengd gebied. Op het terrein staan slechts een viertal woningen en nieuwe woningen mogen er niet worden gebouwd. De geurbeleving in dit gebied is over het algemeen ook minder gevoelig dan in de woonkernen. Op bedrijventerreinen met veel maakindustrie zijn weliswaar veel mensen gedurende een bepaalde tijd aanwezig, maar zorgt de industrie zelf ook voor overlast, terwijl de opslag, handel en distributie juist weer weinig mensen op een bepaald oppervlak huisvesten. Dit maakt duidelijk dat het bedrijventerrein weliswaar een zwaardere bescherming dan een enkele woning in het buitengebied krijgt, maar minder dan de woonomgeving in de bebouwde kommen. Dit is ook uit de jurisprudentie7 Zo overwoog de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de oude geurwetgeving in haar uitspraak van 17 juli 2002 (Aalten, no. 200200793/1) dat kantoorgebouwen grenzend aan een bebouwde kom met stedelijk karakter niet zondermeer dezelfde status krijgen als de woonkern. Ook in haar uitspraak van 17 mei 2003 (Deurne, no. 200201354/1) gaf de afdeling aan dat kantoorgebouwen minder bescherming behoeven dan een woonkern. In haar uitspraak van 6 augustus 2003 (Veghel, no. 200303316/1) overwoog de afdeling dat een timmerwerkplaats in het buitengebied waar zo’n 20 mensen de gehele dag verbeleven een zelfde bescherming kreeg als woningen in het buitengebied. Op 13 juni 2007 (Nijmegen, no. 200608330/1) sprak de afdeling uit dat een groot industrieterrein gelegen nabij twee woonkernen gelet op de aard van de bebouwing aanzienlijk minder bescherming behoeft dan een woonkern, dat er op het terrein overwegend reukloos wordt gewerkt en er door de kantoren relatief veel mensen aanwezig zijn doet hier niets aan af. te herleiden. 4.1.3 gebied met hoofdzakelijk agrariërs Het overige gebied, de polder en uiterwaarden, vormen het resterende deel met een hoofdzakelijk agrarisch gebruik. Voor de uiterwaarden geldt uiteraard dat deze door haar natuurwaarden niet gebruikt wordt voor nieuwe bedrijven of grootschalige uitbreidingen. In dit gebied liggen ten noorden van Lopikerkapel twee bedrijven, ten zuiden van Uitweg twee bedrijven, tussen Jaarsveld en Lopik een viertal bedrijven, aan de Broeksdijk twee bedrijven en buiten de lintbebouwing van Polsbroek tot IJsselstein een drietal bedrijven.

Rechtspraak bij dit artikel