De inventarisatie van de bedrijven, burgers en het beleid hebben de te verwachten ontwikkelingen in beeld gebracht en vormen daarmee de uitgangspunten voor de analyses. Met de indeling van de (deel)gebieden worden duidelijke grenzen gesteld en kan in de uitgangspunten en te verwachten ontwikkelingen ook onderscheid worden gemaakt. Onderstaand wordt de analyse rond de gemaakte geurkeuzes weergegeven.
4.2.1 Analyse van de geursituatie rond de veebedrijven met vaste afstanden
Voor het bepalen van de hoeveelheid overbelaste situaties moet eerst onderscheid worden gemaakt in intensieve en extensieve veehouderijbedrijven. Voor de intensieve veebedrijven gelden namelijk normen afhankelijk van de hoeveelheid dieren. Voor de extensieve veehouderijbedrijven gelden vaste afstanden, afhankelijk van de ligging binnen of buiten de bebouwde kom8 Een uitzondering hierop zijn de pelsdieren waarvoor vaste afstanden bestaan afhankelijk van de hoeveelheid fokteven of –moeren, maar deze komen niet voor binnen de gemeente Lopik of de directe omgeving. . Voor de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom moet een afstand van 100 meter en voor de objecten buiten de kom 50 meter in acht gehouden worden. Andersom mogen binnen deze afstanden, bepaald vanaf de rand van het bouwblok, geen geurgevoelige objecten opgericht worden. Dit gebied is vanuit de inrichting gezien namelijk het bouwrecht waar stallen gebouwd kunnen worden (met emissiepunten).
Door in een GIS-omgeving de geurgevoelige objecten te selecteren die binnen deze zones rond de bouwblokken liggen, wordt een beeld verkregen van de hoeveelheid mogelijke knelpunten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat van de 156 extensieve veebedrijven met een vergunning of melding in het kader van het Besluit landbouw (VROM, 2006e), er 8 niet over een bouwblok beschikken. Uit deze analyse van de vaste afstanden bij de overige 148 extensieve bedrijven blijkt dat:
in het buitengebied 381 geurgevoelige objecten liggen binnen 50 meter van een bouwblok van een extensief veebedrijf;
in de bebouwde kom 360 geurgevoelige objecten liggen binnen 100 meter van een bouwblok van een extensief veebedrijf.
In artikel 6, lid 3 van de Wgv is opgenomen dat de vaste afstanden gehalveerd kunnen worden. Uit de analyse van deze gehalveerde vaste afstanden blijkt dat:
in het buitengebied 126 geurgevoelige objecten liggen binnen 25 meter van een bouwblok van een extensief veebedrijf;
in de bebouwde kom 102 geurgevoelige objecten liggen binnen 50 meter van een bouwblok van een extensief veebedrijf.
In theorie kan met bovenstaande analyses worden gesteld dat door het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid zowel buiten als binnen de bebouwde kom het aantal knelpunten gemiddeld met 70 % kan afnemen.
De meeste knelpunten liggen in de lintbebouwing in het buitengebied en zijn vaak vanuit het verleden ontstaan (bijvoorbeeld door boerderijsplitsingen). Daarom is een derde analyse gemaakt, waarbij niet van de bouwblokken is uitgegaan, maar van de gebouwen zelf. Immers mogen bedrijven wel uitbreiden in dieren als het emissiepunt op voldoende afstand ligt en daarmee zou de feitelijke geursituatie ook beter zijn dan wanneer we uitgaan van het bouwblok. Uit de analyse van deze gehalveerde vaste afstanden blijkt dat:
in het buitengebied 53 geurgevoelige objecten liggen binnen 25 meter van een bouwblok van een extensief veebedrijf;
in de bebouwde kom 50 geurgevoelige objecten liggen binnen 50 meter van een bouwblok van een extensief veebedrijf.
Theoretisch gezien kan met deze laatste analyses worden gesteld dat door het toepassen van de maximale afwijkingsmogelijkheid zowel buiten als binnen de bebouwde kom het aantal knelpunten met circa 86 % kan afnemen. Door het wegnemen van de knelpunten neemt het aantal dieren en daarmee de kans op geurhinder echter niet af. Om een afweging te maken wat een acceptabel woon- en leefklimaat is, is aansluiting gezocht bij de AMvB landbouw.
Omdat veel van de knelpunten zijn ontstaan door de mogelijkheden die de oude AMvB’s akkerbouwbedrijven en melkrundveehouderijen mogelijk maakte, is tevens een analyse gemaakt welke bedrijven onder de werkingssfeer van de nieuwe AMvB landbouw vallen.
Foto 12: boerderij aan de Benedeneind noordzijde
De AMvB landbouw maakt het mogelijk om met een relatief eenvoudige melding zonder beroepsmogelijkheid voor omwonenden de volgende maximale omvang in dieren te houden:
200 stuks melkrundvee (en 140 stuks jongvee)
50 overige dieren3In de AMvB landbouw wordt naast het rundvee in artikel 3, lid 1 aangegeven 50 paarden, 50 voedsters of 50 landbouwhuisdieren niet zijnde paarden of voedsters, wat dus per saldo 50 overige dieren inhoud. Met betrekking tot de 50 mestvarkeneenheden of 50 geiten gelden in de Wgv odour units. Dit heeft geen betrekking op de vaste afstanden.
Omdat de oude AMvB’s vaak op een kortere afstand dan de algemeen aanvaarde afstand bedrijfsontwikkeling mogelijk maakte en de nieuwe AMvB landbouw aangeeft dat dit met een milieuvergunning geregeld moet worden, is het ook gerechtvaardigd om voor deze milieuvergunning met de dieromvang van een AMvB een aangepaste afstand te hanteren die ook beter aansluit bij de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Lopik. De AMvB landbouw geeft immers geen beroepsmogelijkheid en bij een vergunning kan eenieder haar zienswijze uiten indien soepeler wordt omgegaan met deze afstanden.
Uit de analyses blijkt dat op 4 bedrijven na alle extensieve veebedrijven op dit moment onder de reikwijdte van de AMvB vallen.
Wanneer een selectie wordt gemaakt van de overige 152 extensieve bedrijven binnen gemeente Lopik die in een overbelaste situatie zitten zijn er 124 bedrijven die, gerekend vanaf hun bouwblok, binnen 100 meter een woning in de bebouwde kom of binnen 50 meter een woning buiten de bebouwde kom hebben liggen. Dit betekent dat deze bedrijven in theorie op slot zitten. Bij de halvering van de afstand zijn er nog steeds 81 bedrijven op slot zitten. Om inzicht te krijgen of de knelpunten mogelijk zijn ontstaan door de soepelere normen uit AMvB’s is een nieuwe analyse uitgevoerd, vergelijkbaar met de analyse van geurgevoelige objecten. Hierbij zijn voor de 152 AMvB-bedrijven de afstanden van 50 meter in de bebouwde kom aangehouden en 25 meter buiten de bebouwde kom, maar da gerekend vanaf de bebouwing in plaats van het bouwblok (meer feitelijke situatie). Uit de analyse van de vaste afstanden met deze correctie blijkt dat 41 bedrijven op slot zitten.
Foto 13: beweiding van melkvee van een extensief bedrijf
Door het halveren van de vaste afstanden van alle extensieve veebedrijven neemt het aantal geurknelpunten met circa 70% af binnen de gehele gemeente. Wanneer uitsluitend voor de bedrijven die onder de oude AMvB’s vielen de afstand wordt gehalveerd, neemt het aantal geurknelpunten zowel buiten de bebouwde als kom binnen de bebouwde kom met circa 86 % af.
In de beleidsregel stankhinder is met betrekking tot de extensieve bedrijven in de aanbevelingen opgenomen dat voor deze categorie veehouderijen een uitzondering wordt gemaakt, omdat ze vrijwel geen stank veroorzaken en teveel in hun bedrijfsvoering zouden worden beperkt als de minimaal aan te houden afstand tot een geurgevoelig object zou worden aangehouden van 100 meter. De extensieve veehouderijen is daarom de mogelijkheid geboden om uit te breiden door een maximale afstand van 50 meter aan te houden tot de lintbebouwingen in het buitengebied.
Met de afstanden van 50 meter tot de bebouwde kom en 25 meter tot woningen in het buitengebied rond de gebouwen zijn van de 152 AMvBbedrijven niet 124, maar 41 bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering.
4.2.2 Analyse van de geursituatie rond de veebedrijven met geurnormen
Met receptoren en bronnen, zoals beschreven in hoofdstuk 2, zijn twee databestanden aangemaakt. Om zo nauwkeurig mogelijk te werk te gaan zijn alle dossiers van de 74 intensieve veebedrijven doorgenomen om de precieze geuremissie te bepalen. Voor de emissiepunten in het zwaartepunt van het bouwblok berekend en voor de overige parameters zijn defaultwaarden gehanteerd. Vervolgens is de gemeente ingedeeld in subgebieden van maximaal 5 bij 5 km, om te rekenen in het hiervoor ontwikkelde rekenmodel V-Stacks gebied. Voor gemeente Lopik betekende dit 6 rekengebieden, waarbij een rekennauwkeurigheid van 10% en een voor gemeente Lopik gemiddeld bepaalde terreinruwheid van 0,18 is gehanteerd. Verder is voor de klimatologische omstandigheden gebruik gemaakt van de gegevens van het dichtstbijzijnde meteostation in Schiphol.
Figuur 8: huidige geursituatie
Voor de rekenvariant naar maximale benutting milieuruimte is per bouwblok het huidige zwaartepunt bepaald in GIS.
Daarnaast zijn voor het bepalen van de voorgrondwaarde de huidige geurcontouren geprojecteerd rond het bouwblok, waarmee naast een kaart met achtergrondwaarden ook de voorgrondwaarden bekend zijn. Deze kunnen ter indicatie gebruikt worden om bijvoorbeeld een inschatting te maken of woningbouw in een bepaald gebied mogelijk is. Overigens is voor de nauwkeurige bepaling van de geurcontouren en achtergrondbelasting bij de zogenaamde omgekeerde werking altijd maatwerk vereist.
Huidige geursituatie
Om een beeld te krijgen van de huidige situatie zijn de vigerende rechten doorgerekend (huidige vergunde situatie) en vervolgens de achtergrondgeurbelasting gemiddeld per deelgebied op de geurgevoelige objecten bepaald. De geurbelasting is in figuur 8 weergegeven.
Tabel 4: gemiddelde geurbelasting receptoren en percentage mogelijk gehinderden bij de huidige situatie.
Gebied
Aantal GGO
Odour units
Hinderpercentage
Bebouwde kommen
3.583
1,2 ouE/m3
4 %
Buitengebied
1.082
3,3 ouE/m3
10 %
Ook zijn analyses rond de agrarische bedrijven uitgevoerd. Zo blijkt dat in de huidige situatie al 2 bedrijven aanwezig zijn die qua geurbelasting gelijk zijn aan een vleesvarkensbedrijf met circa 3.000 dieren.
Variant autonome geursituatie
Om een goed vergelijk te maken met de mogelijkheden van de huidige landelijk in het niet-concentratiegebied geldende normstellingen is tevens een maximale geursituatie doorgerekend. Hiervoor wordt voor alle 74 intensieve bedrijven berekend wat hun maximale geurruimte is en deze wordt op kaart geprojecteerd. Met deze zogenaamde worst-case-situatie kan bekeken worden wat het effect van de huidige normstelling is en of er genoeg perspectief voor de veehouders is bij een nog acceptabel leefklimaat voor de bewoners. Voor deze variant is de landelijke normstelling gebruikt om in de toekomst als blanco te kunnen blijven vergelijken met de andere varianten. De variant is daarom ook autonome variant genoemd. In deze variant is gerekend met een geurnorm van 8 odour units in het buitengebied. De bebouwde kom krijgt hierbij de norm van 2 odour units.
De geurbelasting is op de volgende bladzijde in figuur 9 weergegeven
Tabel 5: gemiddelde geurbelasting receptoren en percentage mogelijk gehinderden bij de autonome variant.
Gebied
Aantal GGO
Odour units
Hinderpercentage
Bebouwde kommen
3.583
2,0 ouE/m3
6 %
Buitengebied
1.082
5,1 ouE/m3
12 %
Figuur 9: maximale geursituatie
Bij deze variant zijn 26 van de 74 intensieve bedrijven beperkt in hun uitbreidingsruimte (35% van de bedrijven zit op slot) en kan zich 1 bedrijf doorontwikkelen tot minimaal een vleesvarkensbedrijf van 3.000 dieren.
Samenvatting van de analyses
De autonome variant geeft in vergelijking met de huidige situatie een goed beeld van de voor- en nadelen van de normstelling voor zowel de agrarische ondernemers als geurgevoelige objecten.
Om de geurbelasting in de bebouwde kommen beter te vergelijken is in tabel 9 voor de bebouwde kommen een onderscheid gemaakt in een percentage geurgevoelige objecten die een acceptabel, afweegbaar geurniveau of slechte geursituatie ondervinden. Hierbij is gebruik gemaakt van een schaalverdeling in geurbeleving, welke ook in de figuren 8 en 9 zijn gebruikt. Uiteraard is een huidige situatie in werkelijkheid niet te vergelijken met de gebruikte worst-case-benadering in de autonome variant omdat nooit alle bedrijven hun maximale milieuruimte zullen benutten Uit de tabel is wel op te maken dat vooral in de bebouwde kommen van Lopikerkapel en Uitweg een aantal geurgevoelige objecten van acceptabel naar een afweegbaar niveau gaan wanneer alle bedrijven een maximale dierbezetting in hun vergunning zouden aanvragen.
Wanneer alle intensieve veebedrijven een milieuvergunning aanvragen voor hun maximale geurruimte is altijd sprake van een geurtoename. De kans dat deze toename ook daadwerkelijk overal plaatsvindt is minimaal en wordt daarom ook worst-case-benadering genoemd. Maar nu het nog te vroeg is om te zien welke bedrijven in de toekomst eventueel stoppen of omschakelen en welke zullen uitbreiden, is de aanname dat er een percentage in bijvoorbeeld een zone rondom de bebouwde kommen zal stoppen nog niet met cijfers of percentages te onderbouwen. Er is dan ook bewust gekozen voor deze benadering en evaluatie van deze geurgebiedsvisie over enkele jaren zal uitwijzen of de geurbelasting is toe- of afgenomen.
tabel 9: percentage van geurgevoelige objecten in verschillende geurniveaus.
Woon- en leefklimaat
Percentage GGO’s binnen de bebouwde kommen
huidig
autonoom
bebouwde kom
buitengebied
bebouwde kom
buitengebied
Acceptabel geurniveau
96%
98%
95%
98%
Afweegbaar geurniveau
2%
1%
4%
1%
Slechte geursituatie
1%
0%
1%
0%
De worst-case-benadering geeft altijd een toename van de geur weer, terwijl de feitelijke geurbelasting op vele plaatsen gelijk blijft of door verplaatsing en intrekking of wijziging van vergunningen zelfs afneemt. De geurbelasting vanuit deze benadering kan dus niet zuiver met de huidige geurbelasting worden vergeleken.
Er kan echter worden geconcludeerd dat de geursituatie bij de autonome variant in ieder geval voor zorgt dat de geurruimte die de wetgever heeft beoogd te geven niet direct wordt verbruikt en daarmee een sturingsinstrument blijft in handen van het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2
Uitgangspunten en analyse hinderniveau’s
Onderdeel van Geurgebiedsvisie Lopik