In het concept Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Amvb Ruimte), versie 9 december 2008 is het volgende opgenomen.
Artikel 2.3.1 (algemene regels op provinciaal niveau gericht op bundeling /nieuwe bebouwing
Ter bevordering van de bundeling van nieuwe bebouwing stellen provinciale staten bij verordening regels ten aanzien van de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen, die voorzien in de mogelijkheid van nieuwe bebouwing buiten het bestaand bebouwd gebied.
De in het eerste lid bedoelde regels betreffen in ieder geval regels die ertoe strekken nieuwe stedelijke bebouwing en economische activiteiten zo veel mogelijk te verwezenlijken in bestaand bebouwd gebied, in aansluiting op het bestaand bebouwd gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten.
De in het eerste lid bedoelde regels betreffen tevens:
de mogelijkheden voor nieuwe bebouwing die bijdraagt aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water, landschap of de recreatieve mogelijkheden van die omgeving waarbij de ontwerpkwaliteit en financiële koppelingen worden geborgd;
de randvoorwaarden voor landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing.
De in het eerste lid bedoelde regels maken geen onderscheid tussen recreatiewoningen en andere woningen.
Het tweede lid geldt niet ten aanzien van complexen van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd.
Artikel 2.3.2 (provinciale regels m.b.t. bestaande bebouwing buiten bestaand bebouwd gebied)
Provinciale staten stellen bij verordening regels ten aanzien van de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen, welke voorzien in bestaande bebouwing buiten het bestaand bebouwd gebied.
De in het eerste lid bedoelde regels betreffen in elk geval regels ten aanzien van:
de herbestemming van bestaande bebouwing, met uitzondering van de herbestemming van recreatiewoningen;
de sanering van bestaande bebouwing alsmede bouwwerken ten behoeve van glastuinbouw en de vervanging daarvan door nieuwe bebouwing leidend tot een substantiële vermindering van het bebouwde oppervlak. In de toelichting is het volgende opgenomen:
Artikel 2.3.1 Eerste lid
Dit artikel geeft aan provincies de opdracht bij verordening regels te stellen ten aanzien van nieuwe bebouwing in het buitengebied.
Object van regulering zijn bestemmingsplannen die voorzien in de mogelijkheid van nieuwe bebouwing buiten het bestaand bebouwd gebied. Voor een uitleg van het begrip nieuwe bebouwing zie de toelichting bij artikel 2.1.1, onder b. Deze regels dienen of de inhoud van het bestemmingsplan of de toelichting bij het bestemmingsplan of beide soorten regels te betreffen.
Tweede lid
Dit lid geeft aan dat de provinciale regels gericht dienen te zijn op bundeling van verstedelijking en economische activiteiten. Het is een vertaling van de beslissingen van wezenlijk belang uit paragraaf 2.3.2.1 uit de Nota Ruimte. Hoewel niet wordt aangegeven wat de precieze inhoud en vorm van deze regels dient te zijn, is wel aangegeven waartoe deze regels dienen te strekken / wat zij tot doel dienen te hebben. Deze doelen waren ook reeds opgenomen in genoemde paragraaf uit de Nota Ruimte. Met het 'zoveel mogelijk' wordt aangegeven dat het concentreren van stedelijke bebouwing op verschillende manieren kan worden ingevuld. De provinciale regels zullen er allereerst toe moeten strekken nieuwe stedelijke bebouwing en economische activiteiten zo veel mogelijk te concentreren binnen en buiten bestaand bebouwd gebied. Deze regels zullen vervolgens moeten strekken tot optimale benutting van het bestaand bebouwd gebied in onderlinge samenhang met geplande bebouwing aansluitend op het bestaand bebouwd gebied en/of in nieuwe clusters van bebouwing buiten het bestaand bebouwd gebied.
Derde lid
In het derde lid worden nog twee groepen regels gegeven welke de verordening tevens dient te bevatten. Onderdeel a bevat de opdracht zogenoemde rood-voor-groen-regels of roodvoor-blauw-regels op te stellen ten aanzien van de mogelijkheden voor nieuwe bebouwing die dienstbaar is aan een substantiële verbetering van de directe leefomgeving en de daarin aanwezige kwaliteiten van natuur, water, landschap of de recreatieve mogelijkheden van die omgeving waarbij de ontwerpkwaliteit en financiële koppelingen worden geborgd.
Onderdeel b bevat de opdracht om in de verordening de randvoorwaarden te geven over de landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing ten behoeve van agrarische bedrijven.
Vierde lid
De provinciale verordening kan bij het stellen van ‘bundelingsregels’ geen verschillende regels stellen voor recreatiewoningen en ‘gewone’ woonbebouwing. Deze bepaling stelt zeker dat de provincie geen regels stelt welke indruisen tegen het rijksbeleid inzake nieuwbouw van recreatiewoningen dat in dit besluit is vastgelegd in artikel 2.2.5.
Vijfde lid
Dit lid vormt een uitzondering van de hierboven genoemde regel voor complexen van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik van de recreatiewoningen op dat complex door middel van een bedrijfsmatige exploitatie zijn verzekerd. De provinciale ‘bundelingsregels’ mogen dus wel separate bepalingen ten aanzien van deze recreatieve complexen bevatten. Dit lid hangt direct samen met artikel 2.2.6.
Artikel 2.3.2
Een kenmerkend onderscheid tussen artikel 2.3.1 en dit artikel is dat artikel 2.3.1 aan provincies de opdracht geeft om regels te stellen ten aanzien van bestemmingsplannen welke voorzien in nieuwe bebouwing buiten het bestaand bebouwd gebied, terwijl dit artikel de bestaande bebouwing betreft.
Deze verordening dient, op grond van het tweede artikellid, ten minste regels te stellen ten aanzien van de mogelijkheden voor herbestemming van bebouwing.
De bevoegdheid om regels te stellen omtrent de herbestemming van recreatiewoningen wordt de provincies hierbij expliciet onthouden om strijd met het als uitputtend bedoelde rijksbeleid te voorkomen.
Ook dient de verordening regels in het kader van een zogenoemde rood-voor-groen (of blauw) regeling te bevatten. Deze regels betreffende de mogelijkheden tot de sanering van bebouwing en de vervanging daarvan door nieuwe bebouwing welke moet leiden tot een substantiële vermindering van het bebouwd oppervlak. Deze nieuwe bebouwing hoeft daarbij niet op dezelfde locatie te worden gebouwd als waar de oude bebouwing is gesaneerd.