In het algemeen is het landelijk ruimtelijk beleidskader vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (ook wel Barro).
In de Structuurvisie Ruimte zijn de drie hoofddoelen van het Rijk aangegeven:
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland;
Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven.
Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. De nationale belangen zijn vastgelegd in het Barro. Bij het opstellen van ruimtelijk beleid moeten gemeenten voldoen aan het Barro. Voor het landelijk gebied van Lopik zijn lang niet alle onderwerpen uit het Barro van toepassing. Het gaat vooral om bepalingen met betrekking tot de Rijksvaarwegen, grote rivieren, primaire waterkeringen en de ecologische hoofdstructuur.
Per 1 oktober 2012 is ook de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. De duurzaamheidsladder gaat uit van een drietal stappen om te komen tot een zorgvuldige afweging van iedere stedelijke ontwikkeling. Stedelijke ontwikkeling heeft niet alleen betrekking op ontwikkelingen in kernen maar kan ook betrekking hebben op het realiseren van nieuwe stedelijke functies (bedrijventerrein, woningbouw, recreatieterreinen) in het landelijk gebied. Aan de hand van de duurzaamheidsladder moet gemotiveerd worden dat er een duidelijke behoefte is aan de gewenste ontwikkeling en dat de beschikbare ruimte in de gemeente zo optimaal mogelijk gebruikt wordt.
2.2.1 Omgevingswet
Met de Omgevingswet worden de regels voor ruimtelijke projecten gebundeld. Het doel is om het starten van ruimtelijke projecten gemakkelijker te maken. Naar verwachting gaat de Omgevingswet in 2019 in. De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel verandert. De wet bundelt bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Daarmee wil de
wetgever plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen en meer ruimte bieden voor particuliere initiatieven. Dit wil men bereiken door het opstellen van meer algemene regels in plaats van uiterst gedetailleerde regelgeving. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. Dit betekent echter niet dat ruimtelijke plannen in de toekomst niet meer hoeven te voldoen aan de geldende regels. Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet en na vaststelling van ons nieuwe bestemmingsplan met “verbrede reikwijdte” bestaan er regels waar aan getoetst moet worden. Het Omgevingsplan is geen wondermiddel of vrijbrief voor allerhande ruimtelijke ontwikkelingen. Het is wel een innovatief wettelijk kader dat gemeenten in staat moet stellen om de houding “ja, mits” in de praktijk handvatten te geven.
In artikel 7g Besluit Uitvoering Crisis en herstelwet maakt het mogelijk om de voor het grondgebied van de gemeenten vastgestelde bestemmingsplannen te laten gelden als één bestemmingsplan. Op basis van dit artikel is de gemeente Lopik als experiment aangewezen. Hierdoor kan worden geëxperimenteerd met de in de toekomstige Omgevingswet beoogde verbreding van het bestemmingsplan tot een omgevingsplan. Zolang de beoogde Omgevingswet niet is vastgesteld en in werking is getreden, geldt dit experimenteel plan als een buitenwettelijk en vormvrij plan. Met artikel 7c Besluit Uitvoering Crisis en herstelwet wordt een wettelijke grondslag gegeven aan deze experimentele bestemmingsplannen. Hierdoor mag ook worden afgeweken van onderdelen van de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening, de Wet geluidhinder, het Besluit geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer.