Ook in de toekomst blijft de gemeente Lopik terughoudend met nieuwe woningbouw in het landelijk gebied, met uitzondering van Lopik Oost. Uitsluitend het vergroten van de woningvoorraad leidt volgens ons niet tot een verbetering van de leefbaarheid. Uiteraard zullen wij nieuwe woonfuncties ter plaatse van voormalige agrarische bedrijfspercelen blijven faciliteren. Daarnaast zullen wij het verplaatsen van bestaande woningen blijven toestaan en willen wij de mogelijkheid tot splitsing van monumentale en karakteristieke panden behouden. Dit zijn echter specifieke maatwerkoplossingen. De gemeente Lopik wijst voorlopig geen nieuwe grootschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied aan, maar staat wel open voor goede initiatieven vanuit de samenleving. Een leefbare samenleving wordt immers bepaald door de mensen zelf. Wij willen ruimte bieden aan ideeën en initiatieven uit de samenleving om de leefbaarheid te versterken. Dit kan leiden tot ruimtelijke ontwikkelingen waarbij combinaties ontstaan tussen wonen en voorzieningen en waarbij vanuit de samenleving direct wordt ingespeeld op een actuele behoefte. Hierdoor ontstaan draagvlak en daadkracht voor de realisering en instandhouding van voorzieningen, verenigingen en sociale structuren. Bij dergelijke projecten zal de gemeente wel sturen op de invulling van de woonbehoeften voortkomend uit het Woningmarktonderzoek Lopik (Rigo, 2015). Gelet op de toenemende vergrijzing en het beperkte woningaanbod voor ouderen zal daarbij speciale aandacht uitgaan naar de huisvesting van ouderen. De doorstroming van ouderen is van algemeen belang voor doorstroming op de woningmarkt. Zo ontstaat er een zogenaamde “verhuiscarrousel”.
Belang van voorzieningen
Hoewel wij aan de aanwezigheid van voorzieningen nog altijd een wezenlijk belang hechten voor de leefbaarheid van ons landelijk gebied moeten wij er rekening mee houden dat dit belang steeds verder afneemt. Het gaat hierbij niet om maatschappelijke voorzieningen of verenigingen. Steeds meer mensen vinden de kwaliteit van de woning en hun woonomgeving veel belangrijker dan de nabijheid van voorzieningen (W. Nieuwenhuizen, et al 2015). Mensen worden mobieler, ook op latere leeftijd, en technologische ontwikkelingen maken ons minder afhankelijk van de fysieke nabijheid van voorzieningen. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met het feit dat het aantal voorzieningen steeds verder terug loopt ongeacht de demografische ontwikkelingen. Denk daarbij aan schaalvergroting, toename webwinkels, veranderend consumentengedrag en toenemend internetgebruik.
9.2.1.Nieuwe woonvormen
Wij zijn op de hoogte van de toenemende vraag naar nieuwe woonvormen. Vooral de manier waarop wij omgaan met zorg vraagt om nieuwe oplossingen. Mantelzorgwoningen, buidelwoningen en groepswonen zijn opkomende woonvormen. De veranderingen in de zorg hebben ook invloed op de leefbaarheid van het landelijk gebied van Lopik. Dit heeft niet alleen invloed op hoe we willen wonen. Ook de vraag naar zorgfuncties en passende dagbesteding in de directe woonomgeving groeit. De karakteristiek van ons landelijk gebied met grote percelen en veel bebouwing biedt kansen voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van zorg en dagbesteding. Daarbij hebben kleinschalige zorgvoorzieningen, passend bij de schaal van de directe omgeving, de voorkeur. Dergelijke initiatieven zijn ruimtelijk inpasbaar wanneer deze gerealiseerd worden binnen de bestaande bebouwing op bouwpercelen die beschikken over een goede ontsluiting en voldoende parkeergelegenheid. Uiteraard moet wel zorgvuldig afgewogen worden of een initiatief tegemoet komt aan de daadwerkelijke vraag naar zorg en dagbesteding in onze gemeente.
9.2.2.Mantelzorg
Veel mensen in onze gemeente zijn geboren en opgegroeid op hun huidige woonadres. Hierdoor voelen zij een sterke verbondenheid met hun woonomgeving en het buitenleven. Het liefst blijven ze dan ook zo lang mogelijk op hun perceel wonen. Helaas wordt het onderhoud van het perceel en de woning op latere leeftijd soms te zwaar en wordt zorg vanwege de gezondheid noodzakelijk. Om toch in het landelijk gebied te kunnen blijven wonen en de zorg voor familie mogelijk te maken, overwegen veel inwoners in de toekomst een (tijdelijke) mantelzorgwoning te realiseren of de bestaande woning aan te passen. Met de wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is het mogelijk geworden om onder voorwaarden vergunningsvrij een bijbehorend bouwwerk te realiseren ten behoeve van mantelzorg. In de praktijk blijkt dat initiatiefnemers goed uit de voeten kunnen met deze regeling. Hoewel de gemeente Lopik zich straks voor een enorme opgave ziet om het rechtmatig gebruik van deze mantelzorgwoningen te controleren, zullen wij in de toekomst open blijven staan voor dergelijke initiatieven.
9.2.3.Hergebruik stedelijke functies
De herijking van het provinciaal ruimtelijke beleid (2016) heeft tot een aanpassing van het beleid ten aanzien van de herbestemming van percelen met bestaande stedelijke functies geleid. Onder een stedelijke functie verstaat de provincie Utrecht bijvoorbeeld een niet-agrarische bedrijf en percelen met een maatschappelijke bestemming gelegen in het landelijk gebied. Deze percelen mogen bij herbestemming een andere stedelijke functie, waaronder wonen, krijgen onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang niet leidt tot een toename van de invloed op de omgeving. Deze ontwikkelruimte biedt wat ons betreft ook ontwikkelruimte voor bijzondere vormen van wonen ter plaatse van percelen die nu nog een maatschappelijke of niet-agrarische bedrijfsbestemming hebben.
9.2.4. Nieuwe verstedelijking in kernrandzones
Hoewel we geneigd zijn om de ruimte buiten de kernen aan te duiden als één landelijk gebied bestaan er ook in het landelijk gebied duidelijke verschillen in de ruimtelijke karakteristiek. In sommige delen van het landelijk gebied zijn de kernkwaliteiten minder prominent aanwezig en is er sprake van een hoge mate van functiemenging. In deze gebieden treffen we bijvoorbeeld detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, sportvoorzieningen en niet-agrarische bedrijven aan. Deze multifunctionele gebieden concentreren zich in de uitlopers van onze kernen. In het provinciaal ruimtelijk beleid worden deze gebieden aangeduid als kernrandzones. Naast de aanwezigheid van veel verschillende functies kenmerken deze gebieden zich door een hoge bebouwingsdichtheid en, in sommige gevallen, het gebrek aan ruimtelijke kwaliteit. Door de nabijheid van de kernen en de hoge bebouwingsdichtheid is de uitgangspositie voor een verdere ontwikkeling van agrarische bedrijven gelegen in deze kernrandzones beperkt.
Het realiseren van een goede fysieke leefomgeving en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit vraagt in de kernrandzones om extra aandacht. Het toestaan van nieuwe verstedelijking kan een bijdrage leveren aan het realiseren van deze kwaliteitsverbetering. Het toevoegen van extra woningen als onderdeel van die nieuwe verstedelijking in deze gebieden is wat ons betreft daarbij ook een optie zijn. Denk hierbij aan het uitplaatsen van een niet-agrarisch bedrijf of bij de uitvoering van de ruimte-voor-ruimte regeling. Daarnaast volgen wij nadrukkelijk de lijn dat nieuwe woningbouw in deze gebieden ten dienste kan staan van kwaliteitsverbetering elders in het landelijk gebied. Denk bijvoorbeeld aan de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing elders in het landelijk gebied en de herbouw van een woning in de kernrandzone. Uitgangspunt is dat zowel op de vertreklocaties als op de nieuwe ontwikkellocatie in de kernrandzone sprake moet zijn van een goede fysieke leefomgeving en een aanvaardbare ruimtelijke kwaliteit.
9.2.5. Beroep aan huis en nevenactiviteiten
Naast de landschappelijke kwaliteiten en de rust en ruimte in ons landelijk gebied vormen de ruime woonpercelen met bijbehorende opstallen vaak een aantrekkelijk onderdeel van onze leefomgeving. Veel inwoners willen deze ruimten gebruiken ten behoeve van een beroep-aan-huis en of (bedrijfsmatige) nevenactiviteit. Omdat dit een kwaliteit is die mensen hecht en bind aan onze gemeente willen wij ook in de toekomst blijven voorzien in deze gebruiksmogelijkheden. Daarnaast zorgen deze activiteiten ook voor een nuttige invulling van bestaande bebouwing. Gebouwen krijgen hierdoor gebruikswaarde en gebruikers blijven daarom in het onderhoud investeren waardoor de belevingswaarde behouden blijft. Het heeft onze voorkeur dat nevenfuncties een bijdrage leveren aan de kernkwaliteiten van onze gemeente. Het gebruik van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van recreatieve activiteiten is hier een goed voorbeeld van. Uiteraard moeten nevenactiviteiten passen in de omgeving, geen verkeershinder opleveren en geen belemmering betekenen voor het gebruik van omliggende percelen. Op het gebied van beroepen-aan-huis heeft er een duidelijke verruiming plaats gevonden. Het gaat niet uitsluitend meer om het bijna traditionele kantoor-aan-huis of de kapper in de aangebouwde garage. Technische innovaties hebben andere vormen van beroep-aan-huis mogelijk gemaakt. Een webwinkel is hiervan een goed voorbeeld. Een beroep-aan-huis moet wel ten alle tijden ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie van de woning.
Daarnaast zien wij in de gemeente Lopik een groot aantal nevenactiviteiten die gericht zijn op het organiseren van workshops of kleinschalige recreatieve doeleinden. De gemeente Lopik wil ook deze activiteiten blijven ondersteunen omdat deze bijdragen aan invulling van de vrije tijd van onze eigen inwoners. Vanwege de verkeersaantrekkende werking willen wij detailhandel uitsluiten als nevenfunctie op bestaande woonpercelen.
9.2.6.Tuinen in het landelijk gebied
Uit de 10-mintengesprekken en de perceelscontroles ter voorbereiding op het bestemmingsplan met “verbrede reikwijdte” is naar voren gekomen dat in zeer veel gevallen, percelen al geruime tijd als tuin zijn ingericht terwijl deze gronden bestemd zijn voor agrarische doeleinden (weiland).
Het gebruik als tuin en zeker de bouw van bijgebouwen is hierdoor in strijd met de agrarische bestemming. Ook de vele bestaande bijgebouwen die gesitueerd zijn op deze gronden zijn in strijd met de geldende regels. De overgang tussen het bebouwingslint en het achterliggende open polderlandschap is op veel plaatsen in het landelijk gebied geen harde lijn. Bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied” is geprobeerd om het open karakter van het landschap zoveel mogelijk te waarborgen. De woonbestemmingen zijn daarom vaak “ondiep” en zijn veelal direct achter de op het perceel aanwezige bebouwing begrensd door een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden op te nemen. Zo kon voorkomen worden dat ver in het landschap nog bebouwing zou worden opgericht. Dit was destijds een voor de hand liggende bestemming. Aangenomen werd dat het gebruik in de planperiode in overeenstemming gebracht zou worden met de agrarische bestemming. Inmiddels is gebleken dat dat in de meeste gevallen niet is gebeurd.
In de huidige systematiek van het opstellen van bestemmingsplannen zijn er meer mogelijkheden om gronden nader aan te wijzen zoals bijvoorbeeld “onbebouwd erf’ of “tuin”. Hiermee kan de bouw van vergunningplichtige bouwwerken op dit deel van het perceel uitgesloten worden. Deze gronden komen vervolgens nog wel in aanmerking voor het bouwen van vergunningsvrije bouwwerken. Op deze manier krijgen de percelen een passende bestemming maar kan de openheid van het landschap nog niet volledig gewaarborgd worden omdat vergunningvrij bouwen niet geheel kan worden uitgesloten. De verwachting is dat in de praktijk de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen zeer beperkt zijn omdat de meeste percelen al een hoge bebouwingsdichtheid kennen. Er is dus weinig ruimte voor verdere bebouwing, dus ook voor vergunningsvrije bouwwerken.
Ons streven is om de tuinen bij percelen ook als zodanig te bestemmen maar nieuwe bebouwing uit te sluiten en bestaande bebouwing te laten verdwijnen. Dat laatste willen wij bereiken door actief met eigenaren in gesprek te gaan over de verplaatsing van bebouwing en herinrichting van het perceel. Hierdoor wordt de openheid van het landschap gewaarborgd en hersteld en kan storende bebouwing verplaatst worden. Dit vergt een nieuw afwegingskader waarin ook de mogelijkheid moet worden geboden om bestaande gebouwen te verplaatsen. Dit vereist ook een werkwijze waarbij de gemeente voornamelijk inzet op overleg met inwoners om gezamenlijk een kwaliteitsverbetering te kunnen realiseren. Met deze werkwijze wordt recht gedaan aan bestaande (historisch gegroeide) situaties, maar gelijktijdig wordt ingezet op landschappelijke kwaliteitsverbetering.
9.2.7. Wonen in recreatieverblijven.
Permanente bewoning van recreatieverblijven blijft ook in de toekomst niet toegestaan. Bewoners van recreatieverblijven die beschikken over een persoonsgebonden beschikking vormen hierop een uitzondering.