Na de tijd van individueel en kleinschalig bouwen, is het na de oorlog nodig meer woningen in één keer te bouwen en begint de periode van projectmatige opgezette woonwijken achter de historische structuren. Door de jaren heen zijn er verschillende typen planmatig ontworpen buurten en wijken gebouwd, die telkens weer nieuwe randen van kernen vormen. Gemeenschappelijk kenmerken zijn de evenwijdige plaatsing aan de straat, het bouwen in dezelfde rooilijn, de voor- en achtertuinen, het toepassen van zadelkappen en een eenheid in architectuur, materiaal en kleur van de woningen. Gebieden met vrijstaande, individueel ontworpen bebouwing hebben een meer gevarieerd gezicht. Rondom de historische kernen van Lopik dorp en Benschop zijn na de oorlog ook enkele winkelclusters ontstaan. Deze bebouwing is meer divers in schaal en vorm en heeft een geringe relatie met het uiterlijk van de bebouwing van de omliggende wijken en buurten.
Stroken- en blokverkaveling
De wijken van vlak na de Tweede Wereldoorlog kennen een eenvoudig straten- patroon, dat vaak gerelateerd is aan de oorspronkelijke landschappelijke structuur. De blokken hebben wisselende lengtes, variërend van vrijstaande, twee-onder- één-kap-woningen en rijtjeswoningen. De herhaling en gelijkvormigheid van de woonblokken, met eenvoudige hoofdmassa’s en kapvormen, zoals zadeldaken of schilddaken, zorgen voor rust en samenhang. In het begin van de Wederopbouw- periode is de architectuur traditioneel en ambachtelijk. Later is deze, onder invloed van nieuwe bouwmethodieken, eenvoudiger en meer rationalistisch.
Woonerven
Als reactie op de oudere woonwijken, die als zakelijk en monotoon werden ervaren, is in de jaren ’70 meer gebouwd in relatie tot de ‘menselijke’ schaal. Deze wijken worden gekenmerkt door het woonerfconcept. De bebouwing is deels georiënteerd op de openbare ruimte en deels op de weg. Bij de woningen die zijn geclusterd rondom de woonerven ontbreekt een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkanten. Deze wijken bestaan hoofdzakelijk uit ééngezinswoningen.
Vanaf de jaren ‘80
De wijken vanaf de jaren ‘80 kennen verschillende architectuurthema’s, gerelateerd aan de stedenbouwkundige situatie waarmee de individualiteit van een wijk of buurt tot uitdrukking kan worden gebracht. In tegenstelling tot de woonerven is weer gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé. De voorzijde is gericht naar de straat en de achtertuinen zijn aan binnengebieden gelegen. De samenhang wordt bepaald door de ritmische herhaling van massa’s, vormen en gevelkarakteristieken en het specifieke architectuurbeeld. De vormgeving varieert van eigentijdse architectuurstijlen met opvallende vormen, materialen en kleuren tot historiserende woonbebouwing in landelijke of klassieke stijlen.
WAARDE EN KERNKWALITEITEN
Deze gebieden worden gekenmerkt door een planmatig ontworpen stedenbouwkundige opzet, een zorgvuldige omgang met de openbare ruimte en een bebouwingsbeeld met een grote gemene deler, zoals herhaling van bouwblokken en bouwstijlen. De kernkwaliteiten betreffen de specifieke gebiedskenmerken, waaronder de stedenbouwkundige structuur, de verzorgde openbare ruimte en de samenhang per bouwblok en tussen de bouwblokken onderling.
De criteria voor KEUZE zijn in deze gebieden van toepassing.
HOOFDSTUK 03
Artikel 3.
NAOORLOGSE DORPSGEBIEDEN
Onderdeel van Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Lopik