De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:
als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;
als de vergunninghouder de voorschriften en beperkingen verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.14, vierde lid, niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;
voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;
als niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik is gemaakt.
HOOFDSTUK VIII
Artikel 8.15
Intrekken van de omgevingsvergunning
Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving gemeente Maashorst