Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1.

Artikel 14

- Invordering en kwijtschelding

Onderdeel van Beleidsregels Handhaving, Participatiewet, IOAW,IOAZ en Bbz 2021

1.. Het college vordert de teruggevorderde uitkering en de op derden verhaalde bijstand in. 2.. Het college ziet van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af, indien de belanghebbende: een minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen heeft getroffen, dan wel een (voorlopige) schuldsaneringsregeling door de rechtbank van toepassing is verklaard zoals bedoeld in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Bij deze minnelijke regeling wordt een fraudevordering op de belanghebbende niet meegenomen, als de vordering is ontstaan en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd in de categorieën opzet en grove schuld. In die gevallen blijft de fraudevordering staan ten einde op een later moment te worden ingevorderd; een verzoek om kwijtschelding doet, nadat hij gedurende 10 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; een verzoek om kwijtschelding doet, nadat hij gedurende 10 jaar weliswaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog uit eigen beweging binnen 10 jaar en 10 maanden heeft betaald; 3.. Indien de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW of artikel 13, eerste lid, IOAZ geldt dat: de termijn in het tweede lid, onder b 3 jaar en onder c, 3 jaar respectievelijk 3 jaar en 3 maanden is; de kwijtschelding ambtshalve plaatsvindt. 4.. Het college ziet af van invordering wanneer het ontstaan van een vordering het gevolg is van niet-gekorte inkomsten, er geen sprake is geweest van een schending van de inlichtingenplicht en van de betrokkene niet redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij of zij wist van de teveel ontvangen bijstand. 5.. Het college ziet niet af van (verdere) invordering indien de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet.7 Idem 6.. Het college ziet niet af van (verdere) invordering indien de verstrekking heeft plaatsgevonden als bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004, tenzij: Er een schuldregeling of akkoord tot stand komt conform artikel 42 Bbz 2004 Er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verdere invordering in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. 7.. Als bij bedrijfsbeëindiging een deel van een op grond van het Bbz 2004 verstrekte lening voor bedrijfskapitaal resteert, geeft het college toepassing aan artikel 43 lid 1 en 2 Bbz 2004.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel