Het bepalen van de urgentie is van belang om vast te kunnen stellen hoe snel de voorziening moet worden gestart. Bij de bepaling van de urgentie zijn veiligheid van de jeugdige, het risico op kindermishandeling, de balans tussen draaglast en draagkracht en de escalatie van de problematiek essentieel. Er zijn vervolgens drie gradaties van urgentie met bijbehorende criteria te onderscheiden:
Crisis:
De situatie is levensbedreigend of er is direct gevaar voor de jeugdige als:
De jeugdige dreigt met zelfdoding;
De jeugdige een psychose heeft;
De jeugdige (dreigt) verwaarloosd te worden en/of zijn situatie onveilig is (bijvoorbeeld geen toezicht);
Er duidelijke aanwijzingen zijn van seksueel misbruik of lichamelijke mishandeling;
De jeugdige een gevaar voor zichzelf of zijn omgeving is.
Spoed:
Er dreigt direct gevaar voor de jeugdige en/of de balans draagkracht-draaglast is ernstig verstoord. Dit is het geval als zich minstens twee van de volgende drie kenmerken voordoen:
De draaglast van de cliënt (feitelijk of in de beleving) wordt plotseling te zwaar:
Door ingrijpende gebeurtenis;
Doordat een belangrijke faseovergang van de jeugdige/ouders/gezin niet kan worden gemaakt;
Als een risicofactor bij de cliënt of zijn omgeving actief wordt (bijvoorbeeld een stoornis);
Als de beleving van een bestaande situatie te sterk negatief wordt.
De draagkracht van de cliënt schiet onverwacht te kort:
Er worden geen adequate probleemoplossende strategieën gebruikt;
Het ontbreekt de jeugdige of zijn opvoeder aan competentie;
Er zijn onvoldoende beschermende factoren / onvoldoende sociale steun.
De cliënt raakt in paniek en is niet in staat adequaat te handelen:
De cliënt is emotioneel te verward;
De cliënt is niet meer in staat feitelijke informatie in te schatten;
De cliënt vertoont problematisch gedrag dat de situatie verergert.
Regulier:
Er is geen sprake van crisis of spoed en snel ingrijpen is dus niet vereist.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Criteria Urgentie: crisis en spoed
Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp 2022