In het stappenplan hieronder wordt op hoofdlijnen beschreven de stappen die doorlopen worden, de wijze waarop en de gevallen waarbij de burgemeester kan overwegen om gebruik te maken van de in artikel 2:79 van de APV beschreven bevoegdheid.
Stap 1: Melding of signalering
Meldingen of signalen kunnen de gemeente via verschillende wegen bereiken. Omwonenden of anderen kunnen woonoverlast melden bij de gemeente. Meldingen kunnen ook binnenkomen via de politie, woningcorporatie, buurtbemiddeling, buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) en toezichthouders, medewerkers afdeling Dienstverlening of via maatschappelijke, welzijns- en zorgorganisaties.
Stap 2: Vaststellen, verificatie en kwalificatie van de woonoverlast
Meldingen die bij de gemeente binnenkomen worden gecontroleerd, door of met behulp van politie, woningcorporatie of andere partijen die betrokken zijn bij de aanpak van woonoverlast. In de meeste gevallen worden meldingen van ernstige overlast besproken in bijvoorbeeld het gemeentelijke vangnetoverleg. Belangrijk is namelijk om de aard en omvang van de woonoverlast vast te stellen.
Inventarisatie genomen maatregelen
Als eerste stap in de aanpak van (ernstige) woonoverlast wordt gecheckt welke stappen al genomen zijn, om de overlast te stoppen. Van belang is om te weten of er door één of meerdere bij de overlast betrokken partijen (medewerkers van gemeente Ooststellingwerf, woningcorporatie, wijkagent, BOA of gemeentelijke toezichthouder, buurtbemiddeling, maatschappelijk werk) is geprobeerd in gesprek te gaan met de overlastgever(s) om de communicatie tussen de partijen te stimuleren. Buurtbemiddeling is een ideaal middel om bij beginnende overlastsituaties in te zetten. Hierbij is de voorwaarde wel dat partijen bereid zijn hieraan mee te werken. Ook van belang is of er al wettelijke instrumenten zijn ingezet om de overlast te bestrijden en wat het resultaat is van eerder genomen stappen.
Maatregelen woningcorporatie bij huurwoningen
Wanneer het gaat om overlast vanuit een huurwoning, dan is in eerste instantie de woningcorporatie (de verhuurder) leidend in de aanpak van de woonoverlast. Als de woningcorporatie de woonoverlast niet met informele instrumenten zoals gesprekken, buurtbemiddeling en of mediation kan oplossen, kan de verhuurder gebruik maken van het huurrecht. Een woningcorporatie kan met de huurder een vrijwillige gedragsaanwijzing aangaan, waarin beiden overeenkomen wat de huurder gaat doen om geen overlast meer te veroorzaken. Ook kan de woningcorporatie aan de rechter een onvrijwillige gedragsaanwijzing vragen (gerechtelijke gedragsaanwijzing). Die gedragsaanwijzing bevat een verbod of gebod waaraan de huurder zich moet houden. In het uiterste geval kan de woningcorporatie bij de rechter ontbinding van de huurovereenkomst vorderen. De aanpak van woonoverlast vanuit een huurwoning kan wanneer nodig door de verhuurder ook in samenwerking met de gemeente gebeuren.
Maatregelen bij psychische problematiek
In sommige gevallen wordt overlast veroorzaakt door mensen die door hun psychische gesteldheid, niet in staat zijn hun overlast gevend gedrag te beëindigen. Een gedragsmaatregel die bepaalt dat overlast moet worden gestopt op straffe van een dwangsom, is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel bij het beëindigen van de overlast. In dit soort situaties is een nauwe samenwerking tussen gemeente, het sociaal domein, hulpverlening, politie en (in geval van huurwoning) woningcorporatie essentieel om deze mensen passende zorg of maatregelen te bieden, en de overlast te beëindigen. De burgemeester kan met een gedragsaanwijzing afdwingen dat een overlastveroorzaker met psychische problematiek hulpverlening accepteert. Een goede samenwerking met de hulpverlening is hierbij belangrijk.
In acute gevallen kan de burgemeester op basis van een geneeskundige verklaring besluiten tot een crisismaatregel (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; Wvggz). Een crisismaatregel is een beslissing van de burgemeester waarmee verplichte zorg toegepast kan worden in een crisissituatie waarin snel ingegrepen moet worden vanwege onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. De burgemeester kan alle vormen van verplichte zorg opleggen die de Wvggz kent, zoals: gedwongen behandeling of medicatie, het beperken van bewegingsvrijheid, insluiting, toezicht en opname. Voor gedwongen behandeling is opname niet verplicht; de crisismaatregel kan ook ambulant (buiten een instelling) worden ingevuld.
In andere situaties kan een direct betrokkene of arts een melding doen bij de gemeente zodat de gemeente een verkennend onderzoek moet uitvoeren. Dit kan leiden tot het starten van het traject naar een zorgmachtiging bij het Openbaar Ministerie (OM). Op basis van de geneeskundige verklaring bepaalt de rechter of de overlastgever verplichte zorg nodig heeft en hoe deze verplichte zorg vorm gegeven wordt
Stap 3: Dossiervorming
Om effectief te kunnen ingrijpen bij ‘ernstige woonoverlast’ moet een dossier bevatten uit:
Klachten;
Meldingen;
Concreet omschreven waarnemingen;
Registraties en (sfeer)rapportages;
De contactgegevens van betrokken bewoner(s), omwonenden en (professionele) partijen en instanties;
Gespreksverslagen, beoordelingen, evaluaties en adviezen van bij de bestrijding van woonoverlast betrokken partijen.
De gemeente ziet erop toe dat het voor een adequate bestrijding van de ‘ernstige en herhaaldelijke woonoverlast’ overleg met betrokken personen en instanties plaatsvindt. De gemeente zal relevante informatie met inachtneming van de toepasselijke regels rondom privacy, bundelen in een dossier. Het dossier en de dossieropbouw zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van de bestuursdwangbevoegdheid van artikel 2:79, tweede lid, van de APV.
Stap 4: Inventarisatie interventies en maatregelen
Rekening houdend met het de-escaleren, normaliseren en tegengaan van de geconstateerde ernstige woonoverlast, wordt met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit én met de specifieke kenmerken van de voorliggende casus, bekeken welke interventies of maatregelen in het concrete geval kunnen zijn aangewezen. Daarbij geldt een voorkeursvolgorde: een interventie is pas aan de orde als de toepassing van andere wettelijke instrumenten niet hebben geholpen en als minder ingrijpende maatregelen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
Er wordt opgebouwd van licht naar zwaar:
Eerst een gesprek (bijvoorbeeld door de verhuurder, wijkagent, toezichthouder, een medewerker van de gemeente of via buurtbemiddeling).
Daarna een schriftelijke ‘officiële waarschuwing’ van de burgemeester waarin staat wat de overlastgever moet doen of juist moet nalaten. In de waarschuwing wordt gewezen op de bevoegdheid tot het geven van een gedragsaanwijzing waarbij een last onder dwangsom wordt opgelegd of een last onder bestuursdwang, als overtreding van de zorgplicht niet wordt beëindigd.
Levert de waarschuwing geen resultaat op, dan stuurt de burgemeester een vooraankondiging waarin de last onder dwangsom of de last onder bestuursdwang wordt aangezegd. In de vooraankondiging wordt de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen.
Nadat het voornemen om een last op te leggen kenbaar is gemaakt en de betrokkene is gehoord, moet een definitief besluit worden genomen voor de op te leggen gedragsaanwijzing in de vorm van een bestuursrechtelijke herstelsanctie, een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang.
Stap 5: Daadwerkelijke inzet bevoegdheden artikel 2:79 APV (gedragsaanwijzing)
Bij de eerste stappen, het informele en op vrijwillige basis gelegde contact, om de overlast te bestrijden, geldt geen bijzondere voorbereidingsprocedure. Ook niet bij het geven van een officiële waarschuwing.
Als de toepassing van een gedragsaanwijzing wordt aangekondigd (voornemen opleggen van een last), wordt de betrokken bewoner als belanghebbende op grond van artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het opleggen van de gedragsaanwijzing naar voren te brengen. Hierbij wordt in beginsel een begunstigingstermijn van twee weken aangehouden. In bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken.
Rekening houdend met die zienswijze besluit de burgemeester om de gedragsaanwijzing al dan niet of in gewijzigde vorm op te leggen. Daarbij wordt exact omschreven wat van de betrokken overlastgever wordt verwacht en binnen welke (begunstigings)termijn en wat de gevolgen zijn bij het niet tijdig of niet volledig voldoen aan de opgelegde last. De last wordt afgestemd op de aard van de overtreding en op de individuele omstandigheden van het geval. Het is belangrijk dat het in het vermogen van de betrokkene ligt om tijdig aan de last te kunnen voldoen. In de gedragsaanwijzing wordt gemotiveerd welke andere geschikte wijzen al zijn ondernomen om de ernstige en herhaaldelijke hinder tegen te gaan.
Last onder dwangsom
Als een gedragsaanwijzing wordt opgelegd, wordt in beginsel een last onder dwangsom opgelegd om de overlastgever te stimuleren de situatie zelf te verbeteren. De hoogte van de dwangsom is afhankelijk van de situatie. Er wordt gewerkt met een standaard bedrag van € 500,- per overtreding, met een cumulatief maximum van € 3.000,-. Er kan van dit standaardbedrag worden afgeweken als er maatwerk wordt verlangd.
Last onder bestuursdwang
Wanneer spoed geboden is en direct optreden in de vorm van toepassing van bestuursdwang nodig is of wanneer vooraf al duidelijk is dat een last onder dwangsom niet voldoende effectief zal zijn, wordt meteen gekozen voor een last onder bestuursdwang. Ook kan bestuursdwang worden toegepast in plaats van een dwangsom als het herhaaldelijk krijgen van een dwangsom geen positief effect heeft op de situatie.
Tijdelijk huisverbod
De last kan ook een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf voor de duur van tien dagen. Dit verbod zal pas worden opgelegd als er gegronde redenen zijn voor de verwachting dat een gedragsaanwijzing (dwangsom/bestuursdwang) niet binnen de gestelde termijn tot het beoogde resultaat, beëindiging van de overlast, zal leiden. Bij ernstige vrees voor verdere overtreding wordt het verbod verlengd tot maximaal vier weken. Bij het opleggen van een dergelijk 7 verbod is de Wet tijdelijk huisverbod van toepassing. Het tijdelijk huisverbod (artikel 151, derde lid, Gemeentewet) geldt als ‘ultimum remedium’.
Artikel 5.
Procedurele aanpak / stappenplan / procesbeschrijving
Onderdeel van Beleidsregel Wet aanpak woonoverlast Ooststellingwerf