Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Begrippen en afbakening

Onderdeel van Beleidsregel Wet aanpak woonoverlast Ooststellingwerf

Ter verduidelijking van de in artikel 151d van de Gemeentewet en artikel 2:79 van de APV methodiek en begrippen geldt, in lijn met wat daarover is vermeld in de Memorie van Toelichting op de “Wet aanpak woonoverlast” (wetsvoorstel 34 007) het volgende: 4.1. Afbakening ten opzichte van andere bevoegdheden ter bestrijding van overlast vanuit een woning Het instrument van de gedragsaanwijzing van artikel 2:79 van de APV komt pas in beeld als andere bevoegdheden geen uitkomst bieden. De aard van de ernstige en herhaaldelijke overlast bepaalt zelf welke bestuurlijke bevoegdheid kan worden gehanteerd. Bij drugsoverlast zal bijvoorbeeld een beroep kunnen worden gedaan op artikel 13b van de Opiumwet, bij bouwkundige gebreken komt de Woningwet en het Bouwbesluit in beeld en bij een verstoring van de openbare orde of dreigende ernstige verstoring rond de woning als gevolg van gedragingen in de woning kan toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet worden overwogen. 4.2. Toelichting op begrippenkader artikel 151d Gemeentewet en 2:79 APV De burgemeester legt pas een specifieke gedragsaanwijzing op als de ernstige hinder niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Hiermee wordt gedoeld op minder ingrijpende middelen. De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan. Dat kunnen ook andere middelen zijn dan de uitoefening van overheidsbevoegdheden. Andere manieren om woonoverlast op te lossen zijn inzet van buurtbemiddeling, mediation, inzet van politie of hulpverleningsinstanties en het toepassen van andere bestuurlijke bevoegdheden zoals hiervoor genoemd. Ook kan een slachtoffer van woonoverlast een civiele procedure aanspannen tegen de overlastgever. Pas als de burgemeester meent dat er geen andere geschikte wijze is om de ernstige hinder tegen te gaan (blijkend uit de omstandigheid dat eerdere maatregelen of acties geen of onvoldoende uitkomst bieden), legt hij een last op. Belangrijk is dat het opleggen van een gedragsaanwijzing de laatste optie is. De burgemeester kan en mag pas een gedragsaanwijzing geven als de woonoverlast niet op een andere geschikte wijze kan worden beëindigd. Dit sluit aan bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Woning of een bij die woning behorend erf (artikel 2:79, eerste lid, APV) Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de gezamenlijke buitenruimte etc. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vallen ook gedragingen in de directe nabijheid van die woning of dat erf onder dit begrip, bijvoorbeeld gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en/of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning. Gebruiker van de woning of bij die woning behorend erf (artikel 2:79, eerste lid, APV) Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoont. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning of het erf te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit bestanddeel. Gedragingen (artikel 2:79, eerste lid, APV) Met ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’ worden bedoeld gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door diens hond. Het gaat om de woning of het erf dat de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zo kan een blaffende hond op de straat voor de woning of een intimiderende gedraging voor de deur van de woning van de buurman vallen onder het bestanddeel ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’, zolang er een duidelijke connectie is tussen de gedraging en de woning of het erf. Strafbare gedragingen dienen in beginsel door de politie strafrechtelijk te worden opgepakt. In bepaalde situaties is het denkbaar (en wenselijk) dat gedragingen zo spoedig mogelijk worden gestopt. De gedragsaanwijzing werkt in deze gevallen aanvullend aan het strafrecht. Deze inzet moet per geval worden afgestemd met de politie en/of het Openbaar Ministerie (OM). Zorgplicht (artikel 2:79, eerste lid, APV) De gemeenteraad heeft in artikel 2.79, eerste lid, van de APV bepaald dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, er zorg voor dient te dragen dat door gedragingen in of rondom die woning of dat erf geen ernstige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Omwonenden (artikel 2:79, eerste lid, APV) Het gaat om bewoners die woonachtig zijn in de directe nabijheid van de woning van waaruit de overlast plaatsvindt. Ernstige en herhaaldelijke hinder (artikel 2:79, eerste lid, APV) Met ernstige hinder wordt gedoeld op ernstige hinder voor de omwonenden. Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet kan ook onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat is geen vereiste. Anderzijds zal niet elke onrechtmatige burenhinder ook automatisch kunnen worden aangemerkt als ernstige hinder zoals bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet. Artikel 2.79, derde lid, van de APV somt enkele vormen van “ernstige en herhaaldelijke hinder” op. Met de term ‘herhaaldelijk’ wordt gedoeld op het vereiste dat de ernstige hinder een terugkerend karakter heeft. De burgmeester geeft daarom geen toepassing aan de bestuursdwangbevoegdheid op basis van één incident. Last onder bestuursdwang of last onder dwangsom (artikel 2:79, tweede lid, APV) De gedragsaanwijzing neemt in juridische zin de vorm aan van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. De burgemeester is alleen bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Als de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid heeft verleend tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, is de burgemeester ook bevoegd om, in plaats van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom op te leggen. Dit volgt uit artikel 5:32 van de Awb. De last kan daarbij de vorm aannemen van een “aanwijzing” (gedragsaanwijzing). Een gedragsaanwijzing is een besluit in de zin van de Awb, waartegen de burger bezwaar kan maken en in beroep kan gaan bij de rechtbank of in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit De burgemeester kan pas van de nieuwe bevoegdheid gebruik maken, als de ernstige en herhaaldelijke hinder niet op een andere geschikte manier kan worden tegengegaan. Het geven van een gedragsaanwijzing is pas aan de orde als de inzet van een minder ingrijpende (lichtere) maatregel niet voldoende is. De gedragsaanwijzing geldt als een ‘ultimum remedium’. De vorm van de gedragsaanwijzing is afhankelijk van de last die is opgelegd. Bij last onder dwangsom krijgt de bewoner een dwangsom, als deze binnen de begunstigingstermijn, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet. Bij de uitoefening van de bestuursdwang kan men denken aan het verwijderen van bezoekers uit de woning, het aanbrengen van geluidwerende vloerbedekking, het verwijderen van geluidsapparatuur, het in beslag nemen van huisdieren, het verwijderen van vuilnis etc. De nadelige gevolgen van de last mogen niet onevenredig zijn tot de last te dienen doelen (zie artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). De kosten van de bestuursdwang kunnen op grond van artikel 5:25 van de Awb worden verhaald op de overlastgever. Tijdelijk huisverbod (artikel 151d, derde lid, Gemeentewet) Elke situatie levert maatwerk op. Als de ernstige overlast niet met andere middelen kan worden opgelost, kan de burgemeester een tijdelijk huisverbod als gedragsaanwijzing opleggen. Dit betekent dat de overlastgever gedurende tien dagen uit zijn huis wordt geplaatst. Die periode kan worden verlengd tot vier weken. Een tijdelijk huisverbod wordt als ‘ultimum remedium’ opgelegd. Uitvoerbaarheid van de last Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te stoppen. Ook moet het in diens vermogen liggen om aan de eventueel opgelegde last te kunnen voldoen. In sommige gevallen wordt de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Het is mogelijk dat zij, door hun psychische gesteldheid, niet in staat zijn de overlastgevende gedragingen te doen stoppen. Een gedragsaanwijzing op grond van deze wet is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel voor het beëindigen van de overlast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel