Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende en in redelijkheid te verwachten beperkingen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt gesproken van een woning. Geen woonvoorziening wordt verstrekt indien één van de weigeringsgronden uit artikel 20 lid 6 van de verordening van toepassing is.
Het primaat van verhuizen (hoofdstuk 3 verordening). De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizen is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Indien de kosten van de woonvoorziening(en) meer zijn dan het bedrag zoals staat in de nadere regels artikel 11 lid 3, kan het primaat van verhuizen worden opgelegd. Dat betekent dat voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning deze mogelijkheid wordt beoordeeld.
Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een woningaanpassing of dat het primaat van verhuizen wordt toegepast, dient een belangenafweging te worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning. Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen. Hierbij dient in ieder geval gekeken te worden naar:
Kostenvergelijking tussen aanpassen (oude en nieuwe woning) en verhuizen.
Zijn er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen aanwezig en beschikbaar.
Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen.
Gaat het om een eigen woning of huurwoning.
De woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn. De medisch verantwoorde termijn wordt bepaald door een medisch adviseur.
Individuele en sociale omstandigheden, zoals:
Binding met de buurt;
Afstand tot diverse primaire voorzieningen (infrastructuur);
Werksituatie;
Verandering in woonlasten;
Wooncomfort;
De wil van cliënt om te verhuizen;
Overige specifieke omstandigheden.
Indien sprake is van primaat van verhuizen kan een verhuisvoorziening toegekend worden. Dat kan bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding in pgb zijn. De hoogte van het pgb voor verhuiskosten, zoals staat in de nadere regels artikel 11 lid 1, is gebaseerd op de kosten van een gemiddelde verhuizing via een erkend verhuisbedrijf, inclusief inpakken en de- en montage. Mocht iemand aantoonbaar noodzakelijke meerkosten hebben, dan kan een hoger budget worden toegekend. In dit geval is het belangrijk dat het kosten voor de daadwerkelijke verhuizing betreffen. Hiervoor moet eerst een offerte worden overgelegd.
Algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijk. Per situatie dient beoordeeld te worden of de betreffende voorziening ook voor de betreffende cliënt algemeen gebruikelijk (zie 1.2.3.). Is dat het geval, dan komt hij niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking. Deze individuele afweging dient in het onderzoeksverslag en de beschikking te worden vermeld. Voorbeelden van algemene voorzieningen die algemeen gebruikelijk kunnen zijn:
verhuizen;
woningsanering;
fiets, fiets met lage instap, ligfiets;
tandem;
(elektrische) bakfiets, fietskar, aanhangfiets/tandemstang/trailgator;
elektrische fiets/tandem/ligfiets voor een persoon van 16 jaar en ouder;
scooter/brommer/Segway
personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;
auto-accessoires: zoals airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten; trekhaak;
eenhendelmengkranen/ thermostatische kranen;
keramische of inductie kookplaat;
korflades;
verhoogd toilet of toiletverhoger (incl. of excl. armleuningen);
tweede toilet/sanibroyeur;
douchestoel of -kruk;
toiletstoel;
(mobiele) airco, luchtbevochtiger, luchtontvochtiger;
centrale verwarming
antislipvloer/coating;
wandbeugels;
nivelleren drempels binnenshuis (met uitzondering van betonnen drempels)
zonwering (inclusief elektrische bediening);
raamopener met afstandsbediening;
ophogen tuin/bestrating bij verzakking;
(extra) trapleuning of trapspilbeugel;
hondenuitlaatservice;
wasserette;
glazenwasser;
oppasservice;
maaltijdservice;
tuinonderhoud;
boodschappenbezorgdienst.
Als sprake is van een aanvraag voor een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Eventuele aanpassingen in de woning worden beoordeeld op de gebruikelijke wijze.
Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.
Als het voor een maatwerkvoorziening noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik heel klein zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO-vergunning.
Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar slijtage door weer en wind.
Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden.
Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.
Een maatwerkvoorziening in de vorm van een technische en/of bouwkundige aanpassing aan een woning kan in bruikleen worden verstrekt als vooraf vaststaat dat deze voor hergebruik geschikt is.
Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige maatwerkvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van bijvoorbeeld mantelzorgers. Te denken valt aan tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.
Woonwagens, woonschepen en binnenschepen kunnen ook aangepast worden op grond van de Wmo.
Voor woonwagens gelden de volgende regels:
de resterende technische levensduur van de woonwagen is minimaal vijf jaar;
de woonwagenstandplaats komt niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking;
de woonwagen staat ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats.
Voor woonschepen gelden de volgende regels:
de resterende technische levensduur van het woonschip is nog minimaal vijf jaar;
het woonschip mag nog minimaal vijf jaar op de ligplaats blijven liggen.
Voor binnenschepen gelden de volgende regels:
de aanpassing moet betrekking hebben op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf van een binnenschip;
het binnenschip wordt bedrijfsmatig gebruikt.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2022