De wegconstructie van zowel de openbare weg ter plaatse van de uitweg als de uitweg zelf moet berekend zijn op het te verwachten gebruik c.q. verkeersbelasting. Daarom wordt de constructie bepaald door de gemeente en bestaat die in principe uit een elementenverharding met:
inritblokken, verlaagde trottoirbanden, al of niet afgeronde bochtelementen of inritblokken (hoek-stukken) met tussenliggende betonstraatstenen
fundering van 35 cm met daarop 5 cm straatzand
grijze betonklinkers, betontegels of het aanwezige type bestrating
opsluiting van het straatwerk met 10 x 20 opsluitbanden of trottoirbanden.
Bij uitwegen waarbij de bestemming niet zichtbaar of herkenbaar is, dient de uitwegconstructie duidelijk herkenbaar te zijn. Om de herkenbaarheid en uniformiteit van een uitweg te waarborgen, zal de uitweg zo veel mogelijk op uniforme wijze worden aangelegd. Er wordt een afweging gemaakt of een uitweg past binnen het (historische) straatbeeld. Dit kan namelijk per straat verschillen.
Omdat uitwegconstructies met niveauverschil voor zwaar verkeer problematisch kunnen zijn voor kwetsbare lading, kan bij een uitweg naar bedrijven een uitwegconstructie zonder niveauverschil worden toegepast.
Figuur D, E, F en G van bijlage 1 geven voorbeelden van een uitwegconstructie.
Particuliere uitwegen op nieuwbouwlocaties:
in de fase woonrijp maken legt de (project)ontwikkelaar uit eigen beweging en op eigen kosten een standaard uitweg aan voor woningen met een garage of carport;
de exacte locatie van de uitweg wordt door de gemeente bepaald;
bij een wijziging van de standaard uitweg na de fase woonrijp maken, geldt dat de kosten voor de aanleg van de wijziging in rekening worden gebracht bij de aanvrager. Hiervoor is een nieuwe om-gevingsvergunning nodig;
wanneer er sprake is van particulier opdrachtgeverschap dan is de aanleg van een uitweg niet in begrepen in de bouwrijp gemaakte bouwkavel.
Hoofdstuk 5
Artikel 23
Aanvullende uitvoeringsaspecten binnen de bebouwde kom
Onderdeel van Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022