Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.1

Artikel 6.1.3

Bouwvergunning

Onderdeel van Uitvoeringsprogramma Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek gemeente Lopik, Montfoort en Oudewater

Juridische achtergrond De basis voor de vergunningverlening ligt in het gemeentelijke beleid. In het bestemmingsplan of gemeentelijke nota's moet het beleid over het ontwikkelen met landschapskwaliteit duidelijk zijn geformuleerd. Het bouwvergunningenstelsel is vooral gericht op het kunnen beheren van de planologische inrichting, de welstand en de technische kwaliteit van bouwwerken. Kernbegrippen uit het Bouwbesluit zijn: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. In artikel 40 van de Woningwet is bepaald dat het verboden is om te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning van B&W. Uitzondering hierop zijn bouwvergunningvrije bouwwerken. Preventief toezicht hierop vindt niet plaats. Sinds de nieuwe Woningwet van 2003 is er niet alleen een reguliere bouwvergunningplicht (procedure van 12 weken) maar ook een lichte bouwvergunningplicht (procedure van 6 weken). Deze nieuwe wet bevat ook landelijke regels voor het indienen van een aanvraag. Een reguliere bouwvergunning kan gefaseerd worden aangevraagd. In de eerste fase wordt bekeken of er ruimtelijke en welstand-technische bezwaren zijn. In de tweede fase wordt getoetst op de bouwtechnische aspecten van het bouwwerk. Zo worden geen onnodige kosten gemaakt als blijkt dat het bouwplan ruimtelijk niet past. Woningwet en bouwvergunning Art. 56 Woningwet: “Burgemeester en wethouders mogen aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.” Kort gezegd is dit goed en veilig bouwen plus de welstandseisen voor het uiterlijk van een bouwwerk. Slechts in beperkte mate en voor enkele onderwerpen is een ontheffingenbeleid mogelijk. In de bouwverordening staan stedenbouwkundige eisen, die van betekenis zijn als er geen bestemmingsplan geldt voor een gebied of een (oud) bestemmingsplan met niet geregelde onderwerpen. De stedenbouwkundige bepalingen werken als een vangnet (zie art. 9 Woningwet). De bouwvergunning verschilt op een essentieel punt van andere vergunningen. De bouwvergunning hanteert fatale termijnen. Dit betekent dat bij overschrijding van de behandelingstermijn door de overheid (na 6 weken bij een lichte bouwvergunning of eerste fase van de reguliere bouwvergunning; na 12 weken bij een reguliere bouwvergunning) van rechtswege een bouwvergunning ontstaat. Deze is dan zonder voorwaarden en conform de aanvraag. Landschappelijke kwaliteit als toetsingscriterium Om landschappelijke kwaliteit te kunnen gebruiken als toetsingscriterium voor bouwaanvragen, moet de landschappelijke kwaliteit in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Door in het bestemmingsplan en de welstandsnota aan te geven onder welke voorwaarden ingrepen in het landschap zijn toegestaan, wordt ontwikkelruimte gecreëerd en worden landschappelijke waarden beschermd. Want aandacht voor landschap betekent niet automatisch dat het gebied op slot gaat. De actuele en gewenste landschappelijke waarden zijn vastgelegd in dit landschapsontwikkelingsplan (LOP). Het bestemmingsplan, beeldkwaliteitplan of de welstandsnota kunnen hiernaar verwijzen. Zo wordt inzichtelijk welke invloed een ruimtelijke ingreep heeft op de landschapskwaliteit en op welke manier deze beter inpasbaar is. Hierbij kan de gemeente richtlijnen opnemen. Met een LOP beschikt de gemeente ook over praktische handreikingen over het landschap en de manier waarop met initiatieven kan worden omgegaan (bijvoorbeeld het verplicht stellen van een erfbeplantingsplan bij bouwaanvragen). Met de gewijzigde Woningwet is de gemeenteraad verplicht om een Welstandsnota vast te stellen voor het gemeentelijk grondgebied als de gemeente welstandsbeleid wil voeren. In deze welstandsnota werkt de gemeente haar welstandbeleid uit in criteria voor de beoordeling van onder andere bouwaanvragen. Voor deze beoordeling raadpleegt B&W de Welstandscommissie. De ontwikkelingsgerichte landschapstrategie kan worden toegepast door in de welstandsnota ook in te gaan op kwaliteitsverbetering met betrekking tot het landschap. Landschaps- en beeldkwaliteitplan blijven echter facultatieve beleidsdocumenten bij de toetsing van een bouwvergunning, tenzij het bestemmingsplan hier uitdrukkelijk naar verwijst. Weigeringsgronden Als een bouwwerk vergunningplichtig is, wordt uitsluitend getoetst aan 6 dwingende weigeringsgronden. De bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwwerk valt binnen één van deze weigeringsgronden. Dit wordt het limitatieve-imperatieve stelsel genoemd. Een landschapstoets kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen worden betrokken door in de weigeringsgronden voor een bouwvergunning naar gemeentelijke beleidsdocumenten met betrekking tot landschapsontwikkeling te verwijzen, bijvoorbeeld een landschapsontwikkelingsplan of beeldkwaliteitplan. De weigeringsgronden zijn: Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan? En kan deze strijdigheid worden opgeheven door een planologische vrijstelling Wet Ruimtelijke Ordening? (Art. 46, derde lid Woningwet bepaalt dat een aanvraag om bouwvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan, moet worden opgevat als een verzoek om vrijstelling.) Is het bouwplan in strijd met het bouwbesluit? Voldoet het bouwplan aan de gemeentelijke bouwverordening? Voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van Welstand? Is er een monumentenvergunning vereist en geweigerd? Is het bouwplan in strijd met de leefmilieuverordening (art. 17 lid 1 Wet op de stads- en dorpsvernieuwing)? Vanaf juli 2004 geldt mogelijk artikel 44a Woningwet: weigeren van de bouwvergunning wegens overtreding van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen openbaar bestuur (Wet BIBOB). Procedure bouwvergunning De initiatieffase is hét moment in het proces van verlenen van een bouwvergunning om aandacht te besteden aan ontwikkelen met landschapskwaliteit. De procedure voor verlenen van een bouwvergunning start met een bouwaanvraag: de initiatiefnemer vraagt om informatie en / of overleg of dient het plan direct in. Als de aanvraag is ingediend begint de fatale termijn te lopen. De gemeente verschaft informatie over de procedure (lichte, reguliere bouwvergunning, al dan niet gefaseerd) en ver het gemeentelijke beleid waaraan het bouwplan wordt getoetst. Informeer een initiatiefnemer vroeg over de voorwaarden ten aanzien van landschap. Bijvoorbeeld de voorwaarden die vanuit het bestemmingsplan en de welstandsnota worden gesteld en de mogelijkheden die het landschapsontwikkelingsplan (LOP) aangeeft om een kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen. Hierbij kan de gemeente ook handvatten geven. Bijvoorbeeld met een voorbeeldenboek. Zo kan de initiatiefnemer beoordelen of zijn bouwplan past binnen de randvoorwaarden. Volg de gefaseerde procedure als de bouwplannen sterke invloed hebben op de landschappelijke kwaliteit. Dan wordt dan in eerste instantie alleen gekeken naar de invloed van het plan op de ruimtelijke kwaliteit. Dit voorkomt dat een initiatiefnemer hoge kosten maakt voor een project dat ruimtelijk gezien niet kan of anders moet. Bovendien kan het de initiatiefnemer inspireren om met zijn plan bij te dragen aan de landschapskwaliteit. Beoordelen aanvraag bouwvergunning Bij de beoordeling van een bouwplan toetst de gemeente op de dwingende weigeringsgronden. De belangrijkste weigeringsgronden zijn het bestemmingsplan en de welstandsnota. De gemeentelijke dienst beoordeelt in het informatieve vooroverleg namens B&W of een bouwplan vergunningplichtig is. Ook stelt zij vast of de lichte of de reguliere vergunningplicht van toepassing is. I het bouwplan vergunningplichtig, dan wordt het getoetst aan de bovenstaande weigeringsgronden. Bij licht vergunningplichtige bouwwerken mag B&W advies vragen aan de Welstandscommissie. Bij regulier vergunningplichtige bouwwerken is dit verplicht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel