De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond:
ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem;
afkomstig is van een uitgesloten gebied van de eigen of geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2, en § 4.2 en/of gespecificeerd in de rapportages van de geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten);
afkomstig is van gebieden waarvan de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen de bodemkwaliteitskaarten niet hebben geaccepteerd (zie § 4.2 en § 4.12).
wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen (zie § 4.3.2);
afkomstig is van aangewezen industrieterreinen met de bodemfunctie ‘Industrie’, waar de Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is vastgesteld (zie § 4.3.3 en de kaartbijlagen 5A en 5B), en het voornemen bestaat deze in gebieden her te gebruiken met de toepassingseis ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’, tenzij kan worden aangetoond dat op de ontgravingslocatie niet eerder grond is toegepast;
afkomstig is van schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, waar de Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is vastgesteld (zie § 4.3.4 en de kaartbijlagen 5A en 5B), en het voornemen bestaat deze in gebieden her te gebruiken met de toepassingseis ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’, tenzij kan worden aangetoond dat op de ontgravingslocatie niet eerder grond is toegepast;
de ontgravingslocatie is gelegen in de aangewezen de onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in de gemeente Den Helder (zie § 4.3.5);
afkomstig is uit de zones ‘B1./T1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ en het voornemen is de grond niet in deze zones te hergebruiken (zie § 4.6);
wordt toegepast op een regionale waterkering als teeltlaag (zie § 4.3.9);
onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur; zie § 4.4);
wordt toegepast in opdracht van de gemeente én ter plaatse van een locatie met het (toekomstige) bodemgebruik wonen met tuin, onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen, intensief gebruikt openbaar groen, moes-/volkstuinen (specifiek voor asbest; zie § 4.5);
afkomstig is uit een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 4.15 zijn beschreven.
De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL protocol 1001105Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL protocol 1001. of de NEN 5740106NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond. 107Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL protocol 2018108Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, BRL protocol 2018..
Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
Indicatief bodemonderzoek grond afkomstig van én hergebruikt in onverharde bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’; dit geldt niet voor bodemkwaliteitszone ‘B7. Onverharde wegbermen asfaltwegen (0 - 0,3 m-mv; Hollands Kroon en Schagen)’
Als bermgrond weer wordt toegepast in onverharde bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform de NEN 5740, strategie VED-HO, plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL protocol 2001109Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, BRL 2000 – protocol 2001. gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de bermgrond wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte en een de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Ten aanzien de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde wegbermen sluit de gemeente aan bij de nadere toelichting hierover in het BRL protocol 1001.
Indicatief bodemonderzoek grond afkomstig van én hergebruikt in de zones ‘B1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’
Als grond uit de zones ‘B1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ weer in dezelfde zone wordt hergebruikt, moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform de NEN 5740, strategie VED-HO, plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL protocol 2001110Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, BRL 2000 – protocol 2001. gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig.
Indicatief bodemonderzoek grond afkomstig van én hergebruikt op (voormalige)bollenteeltpercelen
Om vast te stellen of sprake is (geweest) van een bollenteeltperceel moet navraag gedaan worden bij de (voormalige) terreineigenaren/-gebruikers. Als de ontgravingslocatie in de periode 1945-1975 in gebruik is (geweest) voor de bollenteelt, dan is de locatie verdacht op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen. Als grond afkomstig is vanaf een (voormalig) bollenteeltperceel en weer op een (voormalig) bollenteeltperceel wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform de NEN 5740111NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond., strategie VED-HO, plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. De grond moet worden onderzocht op het standaard NEN 5740 stoffenpakket aangevuld met het analysepakket voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Bij het indicatieve bodemonderzoek wordt alleen de te ontgraven bodemlaag onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de grond vanaf de (voormalige) bollenteeltpercelen wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte en een de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte.
Aanvullend onderzoek van eerder onderzochte partijen grond
Partijen grond die al eerder conform het Besluit zijn gekeurd, maar nog niet zijn onderzocht op PFAS-verbindingen, moeten alsnog worden onderzocht op deze stofgroep. De gemeenten bieden in die situatie de initiatiefnemer de mogelijkheid om dit onderzoek met een verminderde onderzoeksinspanning uit te voeren: de partijkeuring mag bestaan uit een bemonsteringsinspanning van 2x6 grepen (a-select) en 2x grondanalyses op PFAS- verbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL protocol 1001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning.
Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast.