1. Het bestuursorgaan stelt bij de start van elk participatieproces vast op welke manier burgerparticipatie wordt toegepast. Indien burgerparticipatie wordt toegepast, neemt het bestuursorgaan in beginsel over de volgende punten een besluit:
(a) het doel en de intentie van de participatie;
(b) het niveau van de participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen, of een combinatie hiervan;
(c) de kernvragen, de beïnvloedingsruimte en/of de inhoudelijke, financiële, procedurele en overige kaders voor de participatie en de wijze waarop deze kaders vooraf met de deelnemers worden gecommuniceerd;
(d) de wijze waarop en het tijdvak waarin de deelnemers hun inbreng kunnen leveren;
(e) de wijze waarop democratische waarden zoals inclusie en transparantie in het proces worden gewaarborgd;
(f) de kosten van het participatieproces;
(g) de wijze waarop de inbreng van bewoners zal doorwerken in de besluitvorming als bepaald in artikel 5.
2. Het bestuursorgaan maakt voor de start van het participatieproces het voornemen hiertoe bekend op de voor dat proces geschikte wijze.
3. Indien op basis van voortschrijdend inzicht blijkt dat het wenselijk is om de kaders bedoeld in het eerste lid onder c. of de inrichting van het proces aan te passen, zorgt het bestuursorgaan ervoor dat deelnemers hierover zo snel mogelijk worden geïnformeerd.
4. Bij burgerparticipatie bij de voorbereiding van een raadsvoorstel informeert het college de gemeenteraad zo snel mogelijk via een procesbesluit.
5. Het college kan voor specifieke beleidsterreinen nadere regelingen treffen.