**1..** Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk worden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan wordt er eerst overleg met de toezichthouder gevoerd.
**2..** Voorafgaand aan de engineering wordt door de netbeheerder bij de vergunningaanvraag de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het tracé te handhaven (monumentale) bomen bevinden worden die, inclusief kroonprojectie (indien bekend) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven. Via de website van de gemeente is de digitale bomenkaart beschikbaar. Deze is op verzoek ook in dwg verkrijgbaar bij de coördinator nutsbedrijven.
**3..** Wegkruisingen die door een persing of gestuurde boring worden gerealiseerd worden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd. De ligging van de persing/boring moet achteraf driedimensionaal worden ingemeten en bij elke KLIC-melding worden mee gerapporteerd.
**4..** Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit één lengte. De mantelbuizen worden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.
**5..** Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, dan worden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 derde lid worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt. Tenzij anders met de toezichthouder overeengekomen.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.4
Aanvullende eisen horizontale ligging
Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht