**1..** Het kabel- en leidingentracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd.
**2..** In het overig deel van de openbare weg worden de riolering en transportleidingen gesitueerd.
**3..** De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentracé en perceelgrens is situatie afhankelijk. De algemene profielen staan in bijlage .1 van het handboek.
**4..** Indien een vergunning wordt aangevraagd in een gebied waar tracés zijn vastgesteld in overleg met de ontwikkelende gemeentelijke dienst, moeten die afgesproken tracés als gearceerde of gekleurde polygonen in de ondergrond worden opgenomen in tracé tekeningen van vergunning aanvragen (bv groene tracés in Leidsche Rijn).
**5..** De gemeentelijke bomenkaart moet als gekleurde puntobjecten van enkele meters doorsnede (op schaal) als ondergrond in tracé tekeningen van vergunning aanvragen worden opgenomen. Bij de plaatsbepaling van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingentracé en de stam van de boom bepaald door de leidraad minimale graafafstanden in de bomenposter in bijlage 2 van het handboek. De leidraad staat in onderstaande tabel:
Leidraad minimale graafafstanden bomen (indicatief)
Stam, doorsnede
Minimale graafafstand vanuit het hart van de stamvoet
Eenzijdige wortelontwikkeling of scheefstand boom (trekzijde)
20 cm
1,25 m
2,00 m
40 cm
1,50 m
2,50 m
60 cm
1,75 m
3,00 m
80 cm
2,25 m
3,50 m
100 cm
2,50 m
4,00 m
150 cm
3,50 m
5,00 m
**6..** Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. De horizontale indeling is weergegeven in de algemene profielen.
**7..** In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
**8..** Handholes c.q. distributiepunten mogen niet aangebracht worden in kabel- en leidingtracés, rijbanen, fietspaden, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- of uitritten van percelen en binnen een afstand van 5,00 m vanaf bomen en niet binnen de kroonprojectie. De handholes c.q. distributiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, inpandig, groenvoorzieningen of bermen in lijn met ander straatmeubilair. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften. Bij de vergunning aanvraag moet een concept visuele weergave van de inpassing van bovengrondse elementen zoals kasten, trafohuisjes en centrales worden ingediend ten behoeve van toetsing door de BING/vergunningverlener. Tevens de kleur en afmetingen. (m.u.v. nieuwbouw en ontwikkelgebieden: Daar stemt de netbeheerder de positie van kasten en nutshuisjes af met de projectontwikkelaar).
**9..** De netbeheerder dient schriftelijk toestemming van het college te krijgen om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (b.v. bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.
**10..** De in deze paragraaf beschreven basisprincipes worden zoveel mogelijk nagevolgd. In bijzondere gevallen kan het college een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven. Dit moet in de vergunning (of een aanpassing van een vergunning) worden vastgelegd.
**11..** Het college kan de vergunninghouder, netbeheerder of rechthebbende gelasten een kabel of leiding aan te passen, te verleggen of te verwijderen als die kabel of leiding niet in het standaardprofiel ligt, tenzij het college c.q. haar toezichthouder heeft ingestemd met een afwijking van het standaardprofiel.
Als een kabel of leiding niet conform het standaardprofiel kan worden gelegd omdat er al een andere kabel of leiding op de plek van het standaardprofiel ligt, meldt de netbeheerder dit aan de toezichthouder, waarna de toezichthouder, na overleg met de netbeheerder, een alternatief tracé aanwijst dat zoveel mogelijk aansluit bij het vergunde tracé c.q. het voorkeursprofiel. Dit wordt vastgelegd als een afwijking van de vergunning.
Deze beleidslijn geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de Verordening ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels gemeente Utrecht. Deze beleidslijn geldt voor de wijk Leidsche Rijn vanaf 1998.
Dit laat onverlet dat het college het recht heeft de verplaatsing, aanpassing of verwijdering van een kabels of leiding te gelasten indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is vanwege de (her)inrichting van openbare gronden, waaronder mede begrepen de uitvoering van werkzaamheden, de realisatie van een werk, of de aanleg van groenvoorzieningen, door de gemeente of derden, zoals omschreven in artikel 13 van de verordening.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.3
Horizontale ligging
Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht