Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.1

Algemene regels

Onderdeel van Pgb-beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2022

Gemeenten zijn vrij in het bepalen van de hoogte van het tarief voor het Pgb. Dit tarief dient wel mogelijk te maken dat de inwoner de voorziening daadwerkelijk in kan kopen. De tarieven voor de diverse Pgb-voorzieningen voor Wmo en Jeugdwet staan in de verordening opgenomen (artikel 3.2.). De hoogte van het toegekende budget is gebaseerd op de door Binding toegekende beschikking en het door de cliënt opgestelde budgetplan. Daarbij gelden voor de tarieven de maxima zoals in de verordening opgenomen. De verordening bepaalt hierover in art. 3.2. het volgende: ‘De hoogte van het Persoonsgebonden budget: wordt vastgesteld aan de hand van een door de Cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval is opgenomen: welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, hulp en ondersteuning en andere maatregelen die tot de Maatwerkvoorziening of Individuele voorziening behoren, de Cliënt van het budget wil betrekken, en indien van toepassing, welke hiervan de Cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; wordt berekend op basis van een prijs of tarief: waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de Maatwerkvoorziening of Individuele Voorziening behoren, van derden te betrekken; waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, hulp en ondersteuning en andere maatregelen die tot de Maatwerkvoorziening of Individuele voorziening behoren, wil betrekken; wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening of Individuele voorziening in natura’. Daaruit volgt: Met een Pgb moet toereikende en kwalitatief voldoende zorg ingekocht kunnen worden, op basis van de verstrekte indicatie en de daarin opgenomen beoogde resultaten van de zorg of ondersteuning. NB: uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten bevoegd zijn om het tarief voor een Pgb lager vast te stellen is dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, ‘mits dat tarief eiser in staat stelt om de noodzakelijke kwalitatief goede ondersteuning in te kopen’. Een Pgb mag niet duurder zijn dan zorg in natura. De gemeente hoeft hogere kosten dan die van een soortgelijke voorziening die via zorg in natura geleverd wordt, niet te betalen. Indien een budgethouder toch een pgb wenst boven de goedkopere maatwerkvoorziening, kan hij de extra kosten zelf bijbetalen. Voor informele zorg en voor zorg die door ZZP-ers wordt geleverd, geldt een lager tarief. Voor zorg geleverd door een professional die niet verbonden is aan een organisatie geldt een lager tarief. De cliënt mag naar eigen keuze minder uren tegen hogere tarieven in te kopen (bestedingsvrijheid). Het Pgb wordt waar nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering van materiële voorzieningen (Wmo). Denk hierbij aan hulpmiddelen. Wanneer het Pgb ook voorziet in compensatie voor onderhoud en verzekering, wordt dit opgenomen in de beschikking. Tenslotte: per 1 januari 2018 is de Wet minimumloon veranderd. Deze wijziging heeft effect op overeenkomsten van opdracht in het Pgb, met afspraken over ‘informele’ zorg op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet. Dit betekent dat ook bij informele zorg de familie of partner minimaal ‘minimumloon en een minimum vakantiebijslag’ moeten ontvangen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel