Voor de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle:
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasury-activiteiten zijn eenduidig en schriftelijk vastgelegd;
De administratieve organisatie en interne controle waarborgen dat:
De uitvoering rechtmatig en doelmatig is;
De treasury-activiteiten adequaat kunnen worden uitgevoerd en bijgestuurd;
De juistheid, tijdigheid en volledigheid van de informatie verzekerd zijn;
Bevoegdheden worden via delegatie en mandaat schriftelijk vastgelegd;
Bij de uit te voeren treasury-activiteiten vindt functiescheiding plaats met als belangrijkste voorwaarden:
Iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (vier-ogen-principe);
De transacties worden onmiddellijk geregistreerd door de functionaris die de transactie heeft afgesloten en gecontroleerd door de functionaris die belast is met de interne controle.
HOOFDSTUK 5
Artikel 10