Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 12

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij een inkomen boven bijstandsniveau

Onderdeel van Beleidsregels terugvorderen uitkeringen Opsterland 2022

1.. De aflossingsverplichting voor belanghebbenden met een inkomen boven bijstandsniveau bedraagt: Indien het een geldlening betreft: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag verhoogd met 35% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantietoeslag en de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Indien het een andere vordering betreft: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, verhoogd met 35% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantietoeslag en de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, rekening houdend met de beslagvrije voet. 2.. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan met een betalingsvoorstel van de debiteur worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. 3.. In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting door de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4.. In afwijking van het gestelde in lid 1 wordt de aflossingsverplichting tot maximaal 36 maanden na beëindiging van de uitkering vastgesteld conform artikel 11, indien: de vordering geen fraudevordering is, en de uitkering is beëindigd wegens uitstroom naar werk, en de belanghebbende aansluitend aan de beëindiging van zijn uitkering aan zijn betalingsverplichtingen blijft voldoen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel