4.1. Herkenbaarheid
Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen dienen te zijn voorzien van een kenmerk, waarop duidelijk te zien is wie de beheerder van de voorziening is.
4.2. Tracébepaling algemeen
In het gehele beheergebied van de gemeente geldt bij plaatsbepaling van kabels en leidingen als uitgangspunt het gemeentelijk normprofiel (Technische Voorwaarden Beverwijk, paragraaf 3.11)5). De netbeheerder stemt zijn werkzaamheden af conform het gestelde in de NPR 7171-2.
Het normprofiel bij herontwikkeling dan wel nieuwbouw wordt in onderling overleg tussen het college, de projectontwikkelaar en de netbeheerder afgestemd.
Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met aanwezige objecten zoals langs liggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende kabels en leidingen, bomen, gebouwen, en lijnafwatering.
4.3. Horizontale indeling
Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de horizontale indeling de volgende algemene uitgangspunten:
in de berm langs de rijbaan wordt dezelfde afstand tussen de aan te leggen kabel of leiding en de berm gehanteerd als de diepteligging, met een minimum van 0,50 m.
huisaansluitingen en tijdelijke aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het net aangelegd.
bij het indelen van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met gemeentelijk beleid op dit terrein.
bij het kruisen van (water)wegen worden kabels of leidingen zo veel mogelijk haaks aangelegd.
4.4. Verticale indeling
Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten:
Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen.
Distributieleidingen worden niet dieper aangelegd dan transportleidingen.
Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen.
Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m.
Beschermingswerken, zoals mantelbuizen, dienen minimaal 0,50 m aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen.
Bij sleufloze technieken is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen.
Watergangen worden gekruist volgens de regels van de keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Kabels, die een watergang kruisen, dienen te worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien.
4.5. Afwijkende voorschriften leidingstroken
Door de gemeente kunnen afwijkende leidingstroken worden vastgesteld, waarin afwijkende voorschriften gelden.
4.6. Bovengrondse voorzieningen
De locatie van bovengrondse voorzieningen die verband houden met kabels en leidingen wordt vooraf afgestemd met het college.
De netbeheerder is verantwoordelijk voor een goed beheer van de bovengrondse voorzieningen en dient op aanschrijven van het college bij beschadigingen, vervuiling en/of bekladding de bovengrondse voorzieningen binnen de door het college gestelde termijn te herstellen.
4.7. Handholes
De locatie van handholes wordt vooraf afgestemd met het college. Het college kan alvorens in te stemmen met de locatie van de aanvrager een spitprofiel eisen.
Handholes worden altijd buiten het kabel of leiding tracé aangelegd.
Handholes worden niet geplaatst in de rijbanen het fietspad en niet binnen een afstand van 3 meter vanaf bomen en buiten de kroonprojectie van bomen.
Leidingen van en naar de handhole dienen in beginsel de overige netten onderlangs te kruisen om verweving te voorkomen.
Handholes die maximaal 2 x per jaar geopend worden, worden aangebracht met een minimale dekking van 0,40 m onder het maaiveld en afgedekt met straatzand.
Handholes die meer dan 2 x per jaar geopend worden, worden voorzien van een geprofileerde putdekselconstructie conform verkeersklasse D400 NEN-EN 124. Na zetting dient de putdekselconstructie op dezelfde hoogte te liggen als het omringend maaiveld en/of (bovenkant) elementenverharding.
4.8. Uitnemen en terugplaatsen grond en groenvoorzieningen
De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige kabels en leidingen en overige objecten wordt voorkomen.
Het is niet toegestaan om wegbedekking te ondergraven.
De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de werkput de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt hersteld.
Op het moment dat de uitkomende grond niet direct langs de sleuf opgeslagen kan worden dient opslag in overleg met het college op een andere locatie plaats te vinden.
Bij het terugplaatsen van de grond dient het bodemprofiel zoveel mogelijk te worden hersteld. De werkput hoeft niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond en dient om de 0,25m te worden verdicht.
De grond dient op zodanige wijze te zijn afgewerkt dat er na klink sprake is van een vlakke aansluiting op de ongeroerde grond.
Bij het dichten van een sleuf moet de aangevulde grond mechanisch worden verdicht in twee of drie lagen.
Bij wateroverlast wordt de verdichting van de ondergrond in een later stadium door de netbeheerder definitief hersteld.
Bevroren grond en sneeuw mag niet worden verwerkt in de aanvulling.
Materiaal dat vrijkomt en niet kan worden hergebruikt, dient door de netbeheerder voor eigen rekening te worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
Uitgenomen te handhaven groenvoorzieningen dienen ruim te worden uitgestoken, gescheiden van de te ontgraven grond en te worden beschermd tegen uitdroging en binnen 24 uur na het gereedkomen van de werkzaamheden te worden teruggeplant.
4.9. Elementverharding
Het opnemen en terugplaatsen van elementverharding dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij schade zo veel mogelijk wordt voorkomen.
De uitgenomen elementverharding dient altijd binnen de afzetting te worden opgeslagen.
Herstel dient van dezelfde kwaliteit te zijn als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd.
Bij het aanvullen van de sleuf met dient de aanvulling te bestaan uit tenminste 0,50m verdicht zand.
Uitgevoerd straatwerk dient te worden afgetrild en ingeveegd met brekerzand.
In die gevallen dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om het herstel van de elementverharding in dezelfde kwaliteit uit te voeren als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd, dient de uitvoering en de daarbij behorende kostenverdeling van het herstel voorafgaande aan de werkzaamheden in overleg met het college te zijn overeengekomen.
4.10. Gesloten verharding
Werkzaamheden aan kabels en leidingen onder gesloten verharding worden uitgevoerd met behulp van een sleufloze techniek en worden voorzien van een mantelbuis.
Bij gebruik van een mantelbuis moet de mantelbuis minimaal 0,50 m buiten de fundering van de gesloten verharding uitsteken. De ruimten tussen de mantelbuis en kabel of leiding moeten aan de uiteinden volledig worden afgedicht conform de daarvoor geldende normen.
Wanneer een sleufloze techniek niet mogelijk is, kan het college besluiten dat de gesloten verharding gedeeltelijk verwijderd mag worden door middel van zagen.
Bij ingraving wordt, na verdichting van de sleuf en herstel van de funderingslaag de sleuf tijdelijk dicht geblokt met standaard betonstenen. De betonstenen dienen te worden gelegd met de vlakke kant boven. Er mogen alleen hele betonstenen verwerkt worden. De bovenzijde van de stenen dient gelijk te zijn met de omliggende verharding.
Gemeente stelt op aanvraag van de netbeheerder betonstenen ter beschikking.
4.11. Bijzondere verharding
Als uitgangspunt geldt dat kabels en leidingen niet worden gelegd onder bijzondere verharding.
In die gevallen dat aanleg onder bijzondere verharding onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met het college.
4.12. Lijnafwatering
Als uitgangspunt geldt dat kabels en leidingen niet worden gelegd binnen 1,00 m afstand van lijnafwatering.
In die gevallen dat aanleg onder of nabij lijnafwatering onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met het college.
4.13. Voorzieningen die hun functie verliezen
Tijdelijke voorzieningen, waaronder damwanden en heipalen, dienen in beginsel te worden verwijderd.
Indien leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld en niet verwijderd kunnen worden, dienen deze te worden vol geschuimd (gedämmerd) en aan weerszijden te worden afgedicht ter voorkoming van indringend water, grond en vuil.
Over het achterlaten van voorzieningen dient overeenstemming te zijn met het college.