De kleine windturbine(s) kan/kunnen worden geplaatst binnen een bouwperceel, binnen een denkbeeldige rechthoek of direct grenzend aan het bouwperceel of de denkbeeldige rechthoek (Afb. 8). Bij de plaatsing is er sprake van maatwerk. Hierbij is het doel om een verstorend of verrommelend effect op het landschap en voor omwonenden te voorkomen. Daarbij gelden de volgende criteria:
de turbine(s) staat/staan op een ondergeschikte positie ten opzichte van het historische en typologische voorerf (Afb. 9);
de turbine(s) vormt/vormen een eenheid met het ensemble van het erf (gebouwen, opstallen, beplanting en water) (Afb. 2,3,5);
de turbine(s) vormen geen storend element en veroorzaken geen visuele verrommeling ten opzichte van omliggende wegen, bebouwing, stad- en dorpssilhouetten en bestaande windturbines in de omgeving;
het aantal turbines domineert de maat en schaal van het erf niet;
er is bij meerdere kleine windturbines:
sprake van een onderlinge relatie en logische structuur ten opzichte van het erf en de omgeving;
sprake van hetzelfde type, kleur en dezelfde uitvoering. Dit geldt voor windturbines op één erf of ruimtelijk samenhangende erven;
sprake van samenhang tussen de erfgrootte en erfopbouw en de onderlinge afstand van de turbines;
een turbine dient altijd ‘rugdekking’ te hebben van opgaande elementen op het erf, zoals gebouwen, opstallen en/of erfbeplanting (Afb. 2,3);
de afstand tot de bestaande erfgrens is maximaal ongeveer 25 meter. Hierbij dient plaatsing van turbines in de luwte te worden voorkomen en is maatwerk het uitgangspunt;
bij monumentale boerderijen en erven schaden turbines de monumentale waarden van de boerderijplaats als geheel niet. Qua maat en schaal zijn de turbines passend bij de rest van het agrarisch ensemble. Ze houden voldoende afstand tot de monumentale boerderij;
er ontstaat voldoende afstand tot cultuurhistorisch of landschappelijke waardevolle elementen en structuren zoals dijken of karakteristieke waterlopen. De windturbine beïnvloedt de waardevolle elementen niet nadelig;
het plaatsen van een windturbine mag niet ten koste mag gaan van bestaande erfbeplanting;
tijdens het gesprek is de houding mogelijk maken door een goede landschappelijke inpassing. Een landschappelijke inpassing met en door nieuwe/aanvullende erfbeplanting wordt daarbij gestimuleerd. Er geldt wel: een slechte plek kun je niet oplossen door beplanting.
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.2
Artikel 4.2.1
Plaatsing
Onderdeel van Beleidsregel toetsingskader kleine windturbines