Voor elke ruimtelijke ontwikkeling zal moeten worden afgewogen in hoeverre het betreffende plan haalbaar en wenselijk is. In beginsel is in de bestemmingsplannen aangegeven wat op welke locatie toegestaan en wenselijk is. Hiermee is het bestemmingsplan de primaire drager van het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Echter, omdat in bestemmingsplannen slechts in beperkte mate rekening gehouden kan worden met nog onbekende of specifieke ontwikkelingen, voorziet de wetgeving in een aantal mogelijkheden om gemotiveerd af te wijken van het beleid zoals dat is vastgelegd in de bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan blijft wel het leidende beleidsdocument.
Indien een bouwplan niet in het bestemmingsplan past, kan een verzoek bij de gemeente worden ingediend om af te wijken van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Indien sprake is van strijd met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien wordt afgeweken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 van de Wabo.
Mits er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening kent artikel 2.12 van de Wabo een aantal mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan, zijnde:
afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1). Dit betreft de ‘binnenplanse’ afwijkingsbevoegdheid welke op grond van artikel 3.6, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan worden opgenomen in het bestemmingsplan;
afwijken van het bestemmingsplan in de in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde gevallen (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 Wabo), de zogenaamde ‘planologische kruimelgevallen’;
afwijken van het bestemmingsplan voor (andere dan voornoemde) activiteiten welke niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en waarbij de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo), het projectafwijkingsbesluit.
Ad a. Binnenplanse afwijking
Deze afwijkingen zijn mogelijk op grond van de regels van het bestemmingsplan zelf. Dit met het oog op het aanbrengen van de nodige flexibiliteit in een bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die de afwijkingsbevoegdheid objectief begrenzen. Deze regels kunnen zowel kwantitatief (bijvoorbeeld bepaalde maatvoering) als kwalitatief (beleidsmatig) van aard zijn. In de gemeentelijke praktijk komt het voor dat flexibiliteitsbepalingen min of meer als een recht worden toegepast. Op dit moment wordt er terughoudend omgegaan met deze flexibiliteitsbepalingen. Het gaat hierbij vaak om kleine afwijkingen, zoals een overschrijding van de goothoogte met 10%. Meestal zijn er technische redenen om mee te werken, zoals aansluiten op een bestaande goothoogte.
Ad b. Artikel 4 Bijlage II Bor
Het komt nog al eens voor dat een bouwplan net niet voldoet aan het bestemmingsplan (ook niet met de afwijkingsmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan zelf), maar waarvan het vanuit ruimtelijke overwegingen redelijk is dat het plan gerealiseerd kan worden. Aan dit plan kan dan toch medewerking worden verleend door te besluiten om af te wijken van het bestemmingsplan, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 Wabo. De gevallen waarin deze bevoegdheid kan worden toegepast, zijn opgesomd (limitatief) in Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), artikel 4. De wetgever heeft bepaald aan welke voorwaarden een bouwplan moet voldoen om te kunnen afwijken. Doorgaans gaat het om gevallen van beperkte planologische betekenis. Bij de beoordeling van verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan inzake de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen worden de in deze nota onder hoofdstuk 2 opgenomen beleidsregels toegepast.
Ad c. Projectafwijkingsbesluit
Voor andere gevallen dan genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor is het mogelijk medewerking te verlenen middels een projectafwijkingsbesluit ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo. Hieruit volgt dat slechts gebruik kan worden gemaakt van deze afwijkingsbevoegdheid indien geen sprake is van een onderdeel genoemd onder artikel 4 Bijlage II Bor. De afwijkingsbevoegdheid kan om deze reden niet worden gebruikt om alsnog medewerking te verlenen aan een onderdeel uit artikel 4 Bijlage II Bor welke niet voldoet aan de vastgestelde beleidsregels. Een verzoek om omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan zal in dat geval moeten worden geweigerd (of het bestemmingsplan moet worden herzien).