1. Raadsleden en burgerleden kunnen schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester.

2. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden

voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.

Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde worden per omgaande aan de indiener teruggestuurd.

3. De vragen worden via de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college worden gebracht.

4. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende vergadering van de raad, dit kan zijn een vergadering van de commissie of van de raad.

5. De vragen dienen minimaal 7 kalenderdagen voorafgaand aan de vergadering te zijn ingediend. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

6. Na afloop van de mondelinge beantwoording, wordt de mondelinge beantwoording tevens schriftelijk aangeboden. De vragensteller kan kort reageren vanuit het principe “korte vraag, kort antwoord.

7. De antwoorden van het college worden digitaal aan de leden van de raad toegezonden.

8. De vragensteller kan, naar aanleiding van de schriftelijke beantwoording in een commissievergadering nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord. Het verzoek om agendering wordt voorzien van een schriftelijke onderbouwing aan de agendacommissie aangeboden. Indien de agendacommissie overgaat tot agendering maakt de schriftelijke onderbouwing deel uit van het agendapunt.