Dit beleid kan worden aangehaald als “Beleidsregels planologische kruimelgevallen”.
Bijlage I bij de beleidsregels planologische kruimelgevallen
Artikel 4 van Bijlage II bij het Bor
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard;
5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers;
10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
c. de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Bijlage II bij de beleidsregels planologische kruimelgevallen
Kaart gemeente bebouwde kom
Artikelsgewijze toelichting bij de beleidsregels planologische kruimelgevallen
Artikel 1 Begripsbepaling
Bij de begripsbepalingen is aansluiting gezocht bij de standaard bestemmingsplanregels welke worden toegepast bij de actualisatie van de bestemmingsplannen. De begrippen „bijbehorend bouwwerk‟ en „openbaar gebied‟ zijn afkomstig uit bijlage II van het Bor. De eerste vormt daarbij een verzamelbegrip voor aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw.
Erf
Erf, achtererf en zijerf zijn specifiek omschreven. Dit omdat bebouwing in het zij- en voorerf in bepaalde situaties om stedenbouwkundige reden ongewenst is. Het gaat dan met name om hoekwoningen waar het zijerf naar openbaar gebied gekeerd is. Zie ook de toelichting wat betreft de voorgevelrooilijn bij hoekwoningen.
Peil
Ter bevordering van de afstemming van de wijze van meten tussen het bestemmingsplan en de beleidsregels wordt voor wat betreft de ligging van het peil in eerste instantie aansluiting gezocht bij de definitie van peil in het ter plekke vigerende bestemmingsplan. Indien peil niet is gedefinieerd wordt aansluiting gezocht bij de standaard bestemmingsplanregel zoals deze wordt toegepast bij de actualisatie van bestemmingsplannen.
Bebouwde kom:
In artikel 4 van Bijlage II bij het Bor wordt onderscheid gemaakt tussen de realisering van bouwwerken binnen of buiten de bebouwde kom. Het is dus van belang om vast te stellen of een bouwwerk al dan niet binnen de bebouwde kom is gesitueerd. Het gemeentebestuur is bevoegd de bebouwde kom in de zin van de Wet ruimtelijke ordening aan te wijzen (in bijlage 2 bij de beleidsregels is een kaart met kom grenzen gevoegd). Is dit niet gebeurd, dan dient per concreet geval te worden beoordeeld of een perceel zich al dan niet binnen de bebouwde kom bevindt. Uit de jurisprudentie blijkt dat dit een vraag van feitelijke aard betreft. Niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom weergeeft is bepalend, maar de aard van de omgeving . Wil er in ruimtelijke zin sprake zijn van een bebouwde kom, dan zal er in het betrokken gebied in ieder geval van een structurele samenhang van bebouwing sprake moeten zijn. Zo zal verspreid liggende woonbebouwing in het buitengebied geen bebouwde kom in ruimtelijke zin vormen.
Artikel 2 Wijze van meten
Bij de wijze van meten is eveneens aansluiting gezocht bij de standaard bestemmingsplanregels welke worden toegepast bij de actualisatie van de bestemmingsplannen om de toepassing van de beleidsregels beter te laten aansluiten op de bestemmingsplannen.
Gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken
De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken betreft zowel bijbehorende bouwwerken waarvoor krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo een omgevingsvergunning vereist is, als bijbehorende bouwwerken waarvoor op grond van artikel 3 van bijlage II van het Bor geen omgevings-vergunning vereist is omdat het bouwen en gebruik op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.
Bouwwerken als bedoeld in artikel 2 van bijlage II van het Bor vallen buiten de reikwijdte van deze bepaling. Op grond de gewijzigde regeling in de Wabo moet alles worden meegeteld. Ten aanzien hiervan is ook het begrip “bebouwingsgebied” geïntroduceerd. De introductie van dit begrip hangt samen met de vernieuwde systematiek van het bepalen van de toegelaten oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken die vergunningvrij, krachtens artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II bij het Bor, kunnen worden gebouwd. Het begrip wordt geïntroduceerd om aan te geven dat er een verschil bestaat tussen het gebied waar feitelijk vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd (het achtererfgebied) en het gebied, met inbegrip van aanwezige aan het oorspronkelijk hoofdgebouw toegevoegde bijbehorende bouwwerken, dat als uitgangspunt moet worden genomen voor het berekenen van de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken die totaal aanwezig mag zijn (bebouwingsgebied). Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel M, onder 2, onder c, van dit besluit, waarin uitvoerig wordt ingegaan op de gewijzigde regeling voor vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken.
Voorgevelrooilijn bij hoekwoningen:
Figuur 3
Visualisatie dubbele voorgevelrooilijn bij hoekwoningen
Een hoekperceel kan, afhankelijk van de feitelijke situatie, meer dan één voorgevelrooilijn hebben. Voor de vraag of er in een concreet geval sprake is van twee voorgevelrooilijnen, is de juridische bestemming beslissend. Staan op de bestemmingsplankaart bebouwingsgrenzen weergeven, dan is er geen plaats meer voor de aanvullend werkende rooilijnvoorschriften. Indien het bestemmingsplan geen duidelijkheid verschaft, dan is de feitelijke situatie doorslaggevend. Er wordt uitgegaan van de aanwezigheid van twee rooilijnen indien aan de achterzijde van het gebouw aaneengesloten bebouwing aanwezig is. De tweede rooilijn bevindt zich in het verlengde van de voorgevelrooilijn van de woningen aan de achterzijde.
Artikel 3 Algemene regels voor het afwijken van het bestemmingsplan
Op grond van de beleidsregels kan slechts worden afgeweken van het bestemmingsplan mits wordt voldaan aan een aantal algemene beleidsregels. Deze regels gelden in principe voor alle aanvragen. Vanzelfsprekend moet hierbij altijd voldaan worden aan het bepaalde in artikel 4 van Bijlage II bij het Bor.
Burenrecht
Het bouwen mag niet in strijd zijn met het burenrecht. Middels deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat een bouwplan onevenredige hinder of een beperking van de privacy tot gevolg heeft.
Het bouwen heeft naast publiekrechtelijke- ook privaatrechtelijke aspecten. De relatie tussen de stedenbouwkundige bepalingen uit het bestemmingsplan en de bouwverordening enerzijds en het burenrecht anderzijds komen soms tot uiting bij het realiseren van bijgebouwen, erfafscheidingen e.d. en leiden niet zelden tot burenruzies. In artikel 5:50 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, het niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven. Uit de jurisprudentie blijkt dat gevelopeningen die zijn voorzien van ondoorzichtig glas geen schending van dit artikel opleveren. Verder is van belang of het wel of niet gaat om een ruimte waarin iemand de gehele dag verblijft.
In het burenrecht is verder geregeld dat de eigenaar van het naburige erf moet dulden dat verankerd wordt tot het hart van de gemeenschappelijke muur. Ook is de eigenaar van het naburig erf verplicht na kennisgeving en schadeloosstelling te dulden dat op diens perceel werkzaamheden worden verricht. Hierbij kan gedacht worden aan onderhoud, of het gebruik van het betreffende perceel om bouwwerkzaamheden uit te kunnen voeren. Kortheidshalve wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het Burgerlijk Wetboek.
Bezonning van tuinen en lichttoetreding tot naburige percelen
Bij de bepaling van de mate waarin een vermindering van de bezonning op het ene terrein als gevolg van de realisering van een bouwwerk op het andere terrein toelaatbaar blijft, geldt als uitgangspunt dat enige beperking van de bezonning acceptabel is. De beperking mag echter niet zodanig zijn dat daarmee een reële bezonning op het perceel niet meer goed mogelijk is. De afweging betreft overigens het verschil tussen enerzijds de schaduwwerking die de maximale invulling van het bestemmingsplan c.q. bouwverordening + het omgevingsvergunningvrij bouwen zou teweegbrengen en anderzijds het “meerdere” aan bebouwing waarvoor de afwijking wordt verzocht. Bij de toetsing van een aanvraag - waarvoor een afwijking vereist is - aan het Bouwbesluit staat het te realiseren bouwplan centraal. De invloed die realisering van het betreffende bouwplan op de lichttoetreding tot naburige percelen zal hebben, blijft in de toets aan het Bouwbesluit buiten beschouwing. Een beperking op de lichttoetreding tot het naburige perceel moet aanvaardbaar worden geacht zolang de lichttoetreding tot het naburige perceel blijft voldoen aan de in het Bouwbesluit genoemde eisen. Dat wil zeggen dat de aanvraag wordt beoordeeld als ware het bouwplan van de buren een bouwplan op hetzelfde (eigen) perceel.
Evident privaatrechtelijke belemmering
Indien er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering, wordt geen medewerking verleend. Van een evident privaatrechtelijke belemmering is bijvoorbeeld sprake als zich raamopeningen op minder dan 2 meter van de erfgrens bevinden en uitzicht op het naburige erf geven zonder dat hiervoor door toestemming is verleend (artikel 50, eerste lid van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek).
Blijkt in het kader van de behandeling van het verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan dat er een evident privaatrechtelijke belemmering voor de realisering van een bouwwerk aanwezig is, dan wordt niet van het bestemmingsplan afgeweken en wordt de omgevingsvergunning geweigerd behoudens uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de eigenaren van het naburige erf.
Redelijk eisen van welstand
Bij bouwen dient te worden voldaan aan de redelijke eisen van welstand zoals geformuleerd in de welstandsnota. Er wordt slechts afgeweken van het bestemmingsplan indien het bouwen niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Aanwezige archeologische waarden
Het bouwen mag niet tot gevolg hebben dat ter plekke aanwezige archeologische waarden worden aangetast of verstoord. Deze bepaling sluit aan op de regels ter waarborging van archeologische waarden welke onderdeel zijn van (geactualiseerde) bestemmingsplannen en het bepaald in het verdrag van Malta (1992) en geldt alleen als in het bestemmingsplan genoemde óf door de stadsarcheoloog bepaalde diepte- en oppervlaktematen worden overschreden.
Milieuregelgeving
Het bouwen mag niet in strijd zijn met enige milieuwetgeving. Medewerking aan een afwijking van het bestemmingsplan is pas mogelijk nadat ontheffing of vrijstelling van de betreffende wetgeving is verleend, zoals het vaststellen van hogere (geluid)grenswaarden.
Provinciale belangen
Een recente aanpassing van de Wet ruimtelijke ordening heeft tot gevolg dat ook de kruimelgevallenregeling onder reikwijdte komt van artikel 4.1 van de Wro. Zo zal een kruimelgeval getoetst moeten worden aan de verordening ruimte. Dit zal echter met name van belang zijn bij buitenstedelijke bovenregionale ontwikkelingen. Artikel 4.1, eerste lid Wro bepaalt dat: “Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van de verordening geschiedt tevens langs elektronische weg.”
Artikel 4 Bijbehorende bouwwerken bij woningen binnen de bebouwde kom
Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a van bijlage II van het Bor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan voor bijbehorende bouwwerken bij woningen in de bebouwde kom. De beleidsregels sluiten voor wat betreft deze bouwwerken zoveel mogelijk aan op de uitgangspunten van de standaard bestemmingsplanregels voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen. De beleidsregels hebben primair tot doel te komen tot een eensluidende regeling voor het uitbreiden van woningen in de gehele stad. Niet wordt beoogd de bouwmogelijkheden die de geactualiseerde bestemmingsplannen bieden nog verder uit te breiden. Een dergelijke uitbreiding wordt uit stedenbouwkundig oogpunt en uit het oogpunt van behoud van tuinen en erven als onwenselijk beschouwd. Het uitgangspunt is dat er een herkenbaar onderscheid dient te zijn tussen het hoofdgebouw enerzijds en de uitbreiding van de woning anderzijds. De uitbreiding mag niet leiden tot een toename van het aantal woningen behoudens wanneer er sprake is van huisvesting in het kader van mantelzorg (artikel 5 van bijlage II van het Bor).
Positionering
Bebouwing op het zij- of achtererf kan kritiek zijn. Voorkomen dient te worden dat er allerlei bouwwerken worden gerealiseerd die het straatbeeld vertroebelen en verstenen. In aansluiting op het vergunningsvrij bouwen dient de bebouwing op het zijerf minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn te worden opgericht. Dit komt de overzichtelijkheid van de wijk en het ter plaatse aanwezige gevelbeeld ten goede. Daarnaast dient voorkomen te worden dat er smalle en ontsierende en moeilijk te onderhouden stroken grond ontstaan. Om deze reden wordt als eis gesteld dat op minimaal 1 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens dan wel in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd. Indien sprake is van twee voorgevelrooilijnen, bijvoorbeeld in hoeksituaties, geldt dit niet voor de voorgevelrooilijn die in het verlengde van de zijgevel ligt. In dergelijke gevallen mag er tot in de voorgevelrooilijn worden gebouwd (zie elders in de toelichting voorgevelrooilijn bij hoekwoningen).
Tussenruimte
Het ontstaan van smalle ruimten tussen gebouwen wordt, mede uit het oogpunt van het voorkomen van vervuiling en de bestrijding van ongedierte, als ongewenst beschouwd. Een dergelijke smalle ruimte biedt in het algemeen onvoldoende ruimte voor onderhoud van de woning. Om deze reden dient tegen de perceelsgrens of op een afstand groter dan 1,0 meter uit de perceelsgrens te worden gebouwd. Deze afstandseis geldt eveneens voor de afstand tussen het hoofdgebouw en daaraan gebouwde bijbehorende bouwwerken en vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Hiermee wordt aangesloten op het uitgangspunt van artikel 2.5.17 van de bouwverordening.
Maximale oppervlakte
De maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag ook nadat wordt afgeweken van het bestemmingsplan niet meer bedragen dan 75 m². Bebouwing op het zij of achtererf zal over het algemeen minder gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Wel moet voorkomen worden dat percelen volledig dichtslibben. Daarom is de maximaal toelaatbare hoeveelheid aan bijbehorende bouwwerken bij een woning gesteld op maximaal 50% van het erf. Dit betreft een bepaling overeenkomstig de bepaling in de geactualiseerde bestemmingsplannen.
In afwijking hiervan is het toegelaten om op grote percelen (groter dan 300 m²) een grotere oppervlakte te bebouwen (tot 150 m²). De beschikbare ruimte op deze percelen is voldoende om voldoende buitenruimte over te houden. De maximale gezamenlijke oppervlakte betreft zowel bijbehorende bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, als waarvoor gelet op artikel 3 van bijlage II van het Bor geen omgevingsvergunning vereist is.
De beleidsregel heeft tot doel een ruime vrijheid te bieden voor het bebouwen van het erf bij een woning. Deze vrijheid mag echter niet zover reiken dat het erf (nagenoeg) volledig wordt volgebouwd waardoor geen buitenruimte meer zou resteren. Dit heeft in het algemeen een negatieve invloed op de leefbaarheid van de woning. Daarnaast heeft het een weerslag op de omgeving omdat dit leidt tot verzoeken om alternatieve vormen van buitenruimte, zoals een dakterras, welke in het algemeen als onwenselijk worden ervaren (privacy, geluidsoverlast) en wat kan leiden tot een beperking van de zon- en lichttoetreding op naburige percelen. Het belang van behoud van buitenruimte wordt zwaarwegender geacht dan de wens de woning (nog verder) uit te breiden. Om deze reden geldt in aanvulling op de oppervlaktematen in algemene zin dat het zij- en achtererf van een woning nooit voor meer dan 50% mag worden bebouwd.
Hoogte
De hoogte van een uit één bouwlaag bestaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 5.5meter (vergunningsvrij is 5 meter + 10%) ten opzichte van het aansluitende terrein bedragen. Verder mag de uitbreiding niet hoger zijn dan 0,30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw.
De goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet hoger zijn dan 3,3 meter. Afhankelijk van het welstandsoordeel mag een kap op een bijgebouw worden gerealiseerd, maar de maximaal toegestane hoogte betreft 5,5 meter. Verder mag de kap er niet toe leiden dat er feitelijk een tweede bouwlaag wordt gecreëerd. In lijn met de jurisprudentie wordt in dit verband onder een nieuwe bouwlaag verstaan: de toevoeging van een kap die zodanige afmetingen en vorm heeft dat de daardoor ontstane ruimte, zonder ingrijpende wijzigingen, nagenoeg gelijk te stellen is met de gebruiksmogelijkheden van de onderliggende verdieping.
Hekwerk op bijbehorend bouwwerk
De realisering van een hekwerk op een bijbehorend bouwwerk is omgevingsvergunningsplichtig. In de jurisprudentie is bepaald dat de hoogte van hekwerken of balkons wordt gemeten vanaf het maaiveld. Vanuit het oogpunt van beeldkwaliteit en privacy worden geen hekwerken op (vrijstaande) bijgebouwen toegestaan. Op een uitbreiding van een woning wordt medewerking aan de realisering van een hekwerk (en daarmee de realisering van een terras) slechts overwogen indien het hekwerk geen aantasting betekent van de beeldkwaliteit ter plaatse. Verder mag de hoogte van het hekwerk maximaal 1,20 meter bedragen, gemeten vanaf de voet van het hekwerk. Daarnaast dient het hekwerk op een afstand van minstens 2 meter van de zijdelingse perceelsgrens te worden gesitueerd, tenzij betrokken buren schriftelijk verklaren dat zij tegen de realisering van het terras geen bezwaar hebben (deze voorwaarde is direct te herleiden tot het in het Burgerlijk Wetboek opgenomen burenrecht). Tenslotte mag de bovenzijde van het hekwerk, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet hoger zijn gelegen dan 5 meter.
Artikel 5 Bijbehorend bouwwerk bij een woning op het voorerf binnen bebouwde kom
Geen medewerking wordt verleend aan het overschrijden van de voorgevelrooilijn. Juist de situering van deze voorgevelrooilijn is bepalend voor het stedenbouwkundige beeld en de begrenzing van de openbare ruimte. Een uitzondering kan worden gemaakt voor die gevallen waarin we te maken hebben met zeer ondergeschikte onderdelen van een woning welke de voorgevelrooilijn overschrijden. Om de ondergeschiktheid tot uitdrukking te brengen kan medewerking worden verleend aan een erker op het voorerfgebied mits:
de breedte van de erker maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt; de overschrijding van de voorgevelrooilijn door de erker niet meer dan 1,5 meter bedraagt;
de hoogte van de uitbreiding niet meer bedraagt dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de eerste bouwlaag + 0,30 meter met een maximale hoogte van 4 meter; het aansluitende voorerfgebied mag niet voor meer dan 50% worden bebouwd.
Artikel 6 Bijbehorend bouwwerk bij andere gebouwen binnen bebouwde kom
Voor de toepassing van dit onderdeel van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°van de Wabo komt bebouwing ten behoeve van elk gebouw dat geen woongebouw is in aanmerking. Hier kan onder andere onder worden verstaan: scholen, ziekenhuizen, winkels, hotels, kantoren en andere bedrijfsgebouwen. Vanwege de diversiteit aan functies die voor een afwijking in aanmerking komen en vanwege de verspreide ligging van deze “andere gebouwen” binnen de gemeente, is het niet mogelijk voor dergelijke uitbreidingen een algemeen toetsingskader op te stellen. Elk geval zal dan ook op zijn merites moeten worden beoordeeld. Wel dient voldaan te worden aan enkele uitgangspunten.
Stedenbouwkundige beeld
Per concreet geval zal bepaald worden of een uitbreiding wel of niet past binnen het stedenbouwkundige beeld ter plaatse. In ieder geval zal de uitbreiding er niet toe mogen leiden dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is en de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient met name gelet te worden op de samenhang met de omgeving, de afstand tot de perceelsgrenzen en de gevolgen van de uitbreiding voor omliggende percelen (denk aan inbreuk op privacy en afname lichttoetreding). Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw moet dus gerealiseerd worden binnen dergelijke ten behoeve van bebouwing begrensde gronden. Het komt nogal eens voor dat “andere gebouwen” zijn gelegen in een woongebied (denk bijvoorbeeld aan school- en verenigingsgebouwen). Deze functies kunnen het woon- en leefmilieu ter plaatse beïnvloeden. Dit met name wanneer de functie veel bezoekers trekt en/of er een grote behoefte bestaat aan parkeergelegenheid. Uitgangspunt is dat er zo nodig voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of in de nabije omgeving beschikbaar dient te zijn en dat er geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse mogen ontstaan. Verder dient de uitbreiding te passen binnen de overige gemeentelijke sectorale nota’s en te voldoen aan de geldende milieuregelgeving. Vindt op het moment van de aanvraag reeds een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu plaats of is er zelfs sprake van een saneringssituatie, dan wordt er geen medewerking verleend.
Artikel 7 Bijbehorend bouwwerk bij een woning buiten de bebouwde kom
Op grond van artikel 4 van bijlage II van het Bor zijn bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom onder voorwaarden toegelaten. De maten waarvoor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan worden op grond van deze beleidsregels niet beperkt. Wel dient bij het bouwen buiten de bebouwde kom rekening te worden gehouden met de aanwezige natuur- en landschapswaarden en het beleid voor het buitengebied.
In alle gevallen zal er sprake moeten zijn van een verantwoord stedenbouwkundige nieuwe situatie.
Hiervan is onder andere sprake indien:
- - het afwijken niet tot gevolg heeft dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld wordt aangetast en;
- - door het afwijken de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
Hiertoe kan iedere aanvraag om omgevingsvergunning met ruimtelijke consequenties ter goedkeuring
aan een stedenbouwkundige worden voorgelegd. Bovendien wordt getoetst of verschillende functies significante hinder van elkaar zullen ondervinden en of bestaande toegestane functies belemmerd zullen worden in hun doelmatig gebruik. Bij strijdigheid met een van deze elementen kan in principe géén medewerking worden
verleend aan de omgevingsvergunning, tenzij strikte randvoorwaarden worden verbonden aan de
vergunning ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit.
In artikel 4, van Bijlage II bij het Bor is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid heeft om een omgevingsvergunning te verlenen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Deze bevoegdheid is uitgewerkt tot het medewerking kunnen verlenen aan het oprichten van een bijbehorend bouwwerken buiten de bebouwde kom met een oppervlakte van niet meer dan 150 m². Over het algemeen is een oppervlakte van 75m² in het bestemmingsplan reeds opgenomen en werd doorgaans gehanteerd om aan de gangbare woonwensen te kunnen voldoen. Het verhogen van deze maatvoering buiten de bebouwde kom tot max. 150 m² wordt met name vanuit een oogpunt van dierenwelzijn, het plaatsen van paardenstellen etc., toelaatbaar en toereikend geacht. Het principe van zuinig ruimtegebruik heeft geleid tot een maximale maat van 150 m².
Artikel 8 Erf- en terreinafscheidingen
Met de invoering van de Wabo is ten aanzien van de realisering van erfafscheidingen het volgende bepaald. Op het gehele perceel mag een erfafscheiding met een hoogte van maximaal 1 meter omgevingsvergunningvrij worden gerealiseerd. Erfafscheidingen met een hoogte tussen de 1 en 2 meter mogen omgevingsvergunningvrij worden gerealiseerd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
• achter de voorgevelrooilijn en;
• op meer dan 1 meter van het openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van Welstand van toepassing zijn;
Indien de erfafscheiding grenst aan het openbaar toegankelijk gebied en achter de voorgevelrooilijn is gelegen, kan een afwijking van het bestemmingsplan worden overwogen voor een erfafscheiding van maximaal 2 meter hoogte. Hierbij is voor de opzet aansluiting gezocht bij de (nieuwe)Welstandsnota. Deze erfafscheiding moet vanaf 1 meter, gemeten vanaf het aansluitend terrein, een eenduidige vormgeving op erfafscheiding naastgelegen percelen (geen gesloten plaatmateriaal toepassen zoals profielplaten hebben (geen combinatie van diverse vormen en materialen). Materialen als metselwerk, hout of draadstaal gebruiken aansluitend of betonpanelen)
Voor erf- en terreinafscheidingen geldt dat deze niet hoger mogen zijn dan 2 meter, tenzij deze zijn gelegen voor de voorgevel, in welk geval de hoogte maximaal 1 meter mag bedragen. Deze lagere hoogte heeft deels tot doel het open karakter van de voorzijde van de woningen te betrekken op het straatbeeld en anderzijds het versterken van de verkeersveiligheid door het behoud van vrije doorzichten bij hoeksituaties. Dit betreft een standaardregeling welke overeenkomstig wordt toegepast bij de actualisatie van bestemmingsplannen. De betreffende regeling is daarom primair van toepassing in die gebieden waar de bestemmingsplannen nog niet zijn geactualiseerd, dan wel niet in overeenstemming zijn met de huidige wijze waarop erf- en terreinafscheidingen worden opgenomen in het bestemmingsplan.
Artikel 9 Dakkapellen en dakopbouwen
Voor het bouwen van dakkapellen, dakopbouwen en gelijksoortige uitbreiding van een gebouw kent artikel 4 van Bijlage II een specifieke regeling (artikel 4, onderdeel 4 van Bijlage II bij het Bor) . Het bouwen van een dakkapel op zowel het achter-, zij-, of voordakvlak is onder bepaalde voorwaarden omgevingsvergunningvrij. Voor de voorwaarden zie artikel 3 onderdeel 3 van bijlage II van het Bor.
Dakkapellen
Ten behoeve van de realisering van een dakkapel op het achterdakvlak wordt, gezien de ruime mogelijkheden welke het Bor biedt, terughoudend met een afwijking omgegaan. Voor het antwoord op de vraag of de realisering van een omgevingsvergunningplichtige dakkapel aan de voorzijde of een naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijdakvlak acceptabel is, is het welstandsoordeel richtinggevend.
Omdat het niet de bedoeling is dat realisering van een kap op een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ertoe leidt dat feitelijk twee bouwlagen worden gecreëerd, wordt op een vrijstaand bijbehorend bouwwerk geen omgevingsvergunningplichtige dakkapel toegestaan (vergunningsvrije dakkapellen kunnen uiteraard niet worden geweerd). Bestaat er in een concreet geval geen bezwaar tegen de realisering van een dakkapel over de volle gevelbreedte, dan wordt aan medewerking de voorwaarde verbonden dat aanvrager de realisering van eenzelfde bouwwerk op de naastgelegen woning(en) niet zal frustreren.
Dakopbouwen
Gelet op de diversiteit van dakopbouwen wordt per geval beoordeeld of hieraan medewerking wordt verleend. Voor de definitie van een dakopbouw wordt verwezen naar de welstandsnota. In de welstandsnota wordt onder het plaatsen van een dakopbouw daarom verstaan: “Het creëren van een nieuwe ruimte of vergroten van een bestaande ruimte door het aanbrengen van een nieuwe bouwlaag op een plat dak, door het realiseren van een verhoging van het bestaande dak (nokverhoging) of door het optrekken van de gevel.”
Voor het antwoord op de vraag of de realisering van een dakopbouw acceptabel is, is het welstandsoordeel richtinggevend. Bestaat er in een concreet geval geen bezwaar tegen de realisering van een dakopbouw op een hoofdgebouw, dan wordt aan medewerking de voorwaarde verbonden dat aanvrager de realisering van eenzelfde bouwwerk op de naastgelegen woning(en) niet zal frustreren.
Voor zover een bestemmingsplan het plaatsen van dakkapellen of dakopbouwen verbiedt wordt afgeweken van dat bestemmingsplan indien de gevraagde dakkapel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van andere bouwwerken welke vallen onder de reikwijdte van artikel 4, onderdeel 4 van bijlage II van het Bor worden geen beleidsregels gesteld. Het bepaalde in artikel 3 (algemene regels voor afwijken van bestemmingsplan) is op deze bouwwerken van toepassing.
Artikel 10 Antenne-installaties
Antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie zijn onder bepaalde voorwaarden omgevingsvergunningvrij. De voorwaarden zijn terug te vinden in artikel 2 van Bijlage II 2 bij het Bor. In artikel 4 van Bijlage II bij het Bor is bepaald dat antenne-installaties tot een hoogte van 40 meter onder de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12 lid 1a onder 2 van de Wabo vallen. Het afwegingskader om al dan niet medewerking te verlenen aan een antenne-installatie is nader uitgewerkt in het antennebeleid. Het antennebeleid van de gemeente dient betrokken te worden bij de afweging omtrent het besluit tot afwijking.
Artikel 11 Afwijken ten behoeve van andere bouwwerken
Ten behoeve van andere bouwwerken dan genoemd in artikel 3 t/m 8 waarvoor op grond van artikel 4 van bijlage II van het Bor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan worden geen nadere beleidsregels gesteld. Verzoeken om een dergelijke afwijking van het bestemmingsplan zullen middels een ruimtelijke verkenning individueel worden beoordeeld, mede aan de hand van daarop van toepassing zijnde wet- en regelgeving en vastgesteld beleid.
Kunstzinnige uitingen
Binnen de gemeente Bergen op Zoom wordt zo nu en dan een kunstwerk geplaatst . Een kunstwerk is in veel gevallen een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Hieronder wordt in het algemeen verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Een kunstwerk kan niet zonder meer worden aangemerkt als straatmeubilair en kan evenmin vergunningvrij worden geplaatst, zodat mede hierom dient te worden afgeweken van het bestemmingsplan.
Artikel 4, onderdeel 3 van Bijlage II, bij het Bor biedt de mogelijkheid om aan het plaatsen/realiseren van bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een oppervlakte van maximaal 50 m² en een hoogte van maximaal 10 meter medewerking te verlenen. In een concreet geval zal worden beoordeeld of de plaatsing van het betreffende bouwwerk vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.
Artikel 12 Gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied
Vanaf 1 november 2014 biedt artikel 4 van Bijlage II bij het Bor de mogelijkheid om het gebruik van gronden te wijzigen voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. Hierbij moet dan volgens de Nota van Toelichting gedacht worden aan het toevoegen van het aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen . Een herindeling van het openbaar gebied vindt vaak ook plaats in samenhang met het bouwen van een vergunningvrij bouwwerk, zoals vuilcontainers, sport- of speeltoestellen en straatmeubilair. Bij de vraag of er al dan niet sprake is van een niet-ingrijpende inrichting van het openbaar gebied, zullen volgens de Nota van Toelichting, onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herindeling voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied.
Artikel 13 Afwijken ten behoeve van gebruik in strijd met het bestemmingsplan
Met dit onderdeel van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor kan ten aanzien van bouwwerken binnen de bebouwde kom afgeweken worden van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. De eis dat de afwijking niet leidt tot een wijziging van het aantal woningen en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m² is met de aanpassing van het Bor per 1 november 2014 losgelaten. Van geval tot geval zal beoordeeld worden of medewerking aan de ontwikkeling wordt verleend, ongeacht de oppervlakte.
Parkeernormering
Bepaalde functies kunnen een grote verkeersaantrekkende werking hebben. Denk aan bepaalde vormen van (volumineuze)detailhandel of horeca of een maatschappelijke functie. Een functiewijziging wordt slechts overwogen indien er, zo nodig, voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of in de nabije omgeving beschikbaar is en er geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ontstaan. Verder dient de nieuwe functie te voldoen aan de geldende milieuregelgeving. Is er ter plaatse sprake van een saneringssituatie dan wordt aan de functiewijziging geen medewerking verleend. Tenslotte dient een functiewijziging te passen binnen de overige gemeentelijke- en provinciale beleidsnota’s en mag deze niet in strijd zijn met de Verordening Ruimte.
Bouwactiviteiten
De gebruikswijziging is alleen van toepassing op reeds bestaande bebouwing. In artikel 4 van Bijlage II onderdeel 9 bij het Bor is expliciet opgenomen dat het wijzigen van het gebruik al dan niet in samenhang met bouwactiviteiten kan plaatsvinden voor zover die bouwactiviteiten geen wijziging brengen in de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume. De eis dat een gebruikswijziging binnen de bebouwde kom alleen kan plaatsvinden samen met inpandige bouwactiviteiten is bij de herziening van het Bor (Stb. 2014, 333) losgelaten.
Aansluitend terrein
Het aansluitende terrein bij het bouwwerk wordt geacht ook onder de reikwijdte van de afwijking t.b.v. gebruikswijzigingen te vallen. Hiermee wordt de situatie voorkomen dat het bouwwerk onbruikbaar is, omdat het aansluitende terrein niet ten behoeve van het bouwwerk mag worden gebruikt, waardoor bijvoorbeeld de toegang tot het bouwwerk wordt verhinderd.
Woon- en leefmilieu
Een functiewijziging kan een aantasting betekenen voor het woon- en leefmilieu ter plaatse. Dit met name wanneer de functie veel bezoekers trekt en/of er een grote behoefte bestaat aan parkeergelegenheid. Met een functiewijziging in een woonwijk wordt dan ook terughoudend omgegaan. Een uitzondering kan worden gemaakt voor voorzieningen die naar aard en functie primair een woonwijk als verzorgingsgebied hebben (bijvoorbeeld medische of maatschappelijke voorzieningen) en voorzieningen die een bijdrage kunnen leveren aan de diversiteit en verlevendiging van een woonwijk (denk aan kleinschalige detailhandel). Er is geen maximum oppervlakte opgenomen. Wat qua omvang acceptabel is, zal dit moeten worden beoordeeld aan de hand van het stedenbouwkundig advies. Medewerking aan overige functiewijzigingen binnen een woongebied wordt slechts overwogen indien het een kleinschalige bedrijfsactiviteit betreft die valt onder categorie 1 of 2 van de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering. Overigens is de toepassing van dit onderdeel begrensd indien er sprake is van een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (zie hiervoor artikel 5, lid 6 van Bijlage II bij het Bor.)
Aan huis gebonden beroepen
In de jurisprudentie wordt een tweedeling gemaakt tussen de zogenaamde vrije beroepen enerzijds en andere beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten anderzijds. Onder de vrije beroepen worden in ieder geval verstaan: de arts, advocaat en notaris. Van oudsher worden deze beroepen gerekend tot de woonfunctie, wanneer de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft en het bestemmingsplan deze beroepen niet specifiek uitsluit. Voor de vrije beroepen is doorgaans geen sprake van strijdig gebruik omdat dit geacht wordt te passen binnen de woonfunctie. Voor ander medegebruik van een woning dat niet onder de vrije beroepsuitoefening valt, wordt alleen medewerking verleend mits de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Daarbij gelden als uitgangspunten dat bedoeld gebruik geen onevenredige hinder mag opleveren voor het woon- en leefmilieu en geen afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Aan detailhandel in of bij een woning of bijgebouw wordt geen medewerking verleend, tenzij dit een ondergeschikt en normaal onderdeel van de bedrijfsvoering betreft.
Arbeidsmigranten
Onder de nieuwe regeling in het Bor is het tevens mogelijk om buiten de bebouwde kom af te wijken van de gebruiksvoorschriften ten behoeve van logiesfunctie voorarbeidsmigranten. In het Bor zijn ten aanzien van het afwijken van de gebruiksvoorschriften van een logiesfunctie verder geen voorwaarden gesteld. Het is uit het oogpunt van objectieve begrenzing wel wenselijk om toch nadere voorwaarden te stellen temeer omdat in onze bestemmingsplannen al een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen. Wat betreft de voorwaarden wordt aansluiting gezocht bij hetgeen in het bestemmingsplannen voor de buitengebieden hierover is opgenomen.
Artikel 14 tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan
Burgemeester en Wethouders kunnen medewerking verlenen aan een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 4, lid 11 van Bijlage II bij het Bor. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er behoefte is om tijdelijk gebruik te maken van gronden of een bouwwerk, waarbij het bouwwerk of gebruik op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Het betreft een nieuw onderdeel op grond waarvan voor vergunningverlening op basis van dat artikel eveneens in aanmerking komt ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar. De tijdelijke behoefte hoeft hierbij niet meer te worden aangetoond. Wel mag het gebruik niet onomkeerbaar zijn, zodat er een duidelijk objectieve begrenzing gegeven is. De termijn van 10 kan niet worden verlengd. Wel kan bijvoorbeeld twee keer een termijn van 5 jaar worden vergund. Zo kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het tijdelijk plaatsen van een (noodgebouw) ten behoeve van een tijdelijk winkelvestiging binnen gronden met een agrarische bestemming of het tijdelijk inrichten van voor agrarische doeleinden bestemde gronden ten behoeve van parkeervoorzieningen. Bij de verlening van de vergunning dient wel aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn kan en daadwerkelijk zal worden beëindigd.
Tijdelijke tweede woning
Gedurende de bouwwerkzaamheden van een nieuwbouwwoning kan er de behoefte bestaan om tijdelijk in een voor bewoning geschikt bouwwerk op de bouwlocatie te verblijven.
Tijdelijke reclamevoering
Gedurende de bouwwerkzaamheden kan er de behoefte bestaan om buiten de bouwlocatie een reclame-uiting te plaatsen veelal wordt deze reclame-uiting aangemerkt als een bouwwerk indien het een constructie van enige omvang betreft. Reclame-uitingen aan de openbare weg als spandoeken die niet over een constructie van enige omvang beschikken – en derhalve geen bouwwerken zijn – vallen niet onder de reikwijdte van dit beleid maar vallen onder de regels inzake reclame uit de Algemene Plaatselijke Verordening. Hierbij kan gedacht worden aan een verkoopbord of andere constructie met reclame. Bouwborden binnen de bouwlocatie, lees binnen de bouwhekken, zijn omgevingsvergunningvrij. Buiten de bouwlocatie is de directe relatie verdwenen en wordt het bouwwerk gezien als een op zichzelf staande reclamevoering en dan ook omgevingsvergunningplichtig. Per concreet geval dient beoordeelt te worden of de reclamevoering niet bijdraagt aan een ruimtelijke verstoring van het landschap dan wel bijdraagt aan het ontstaan van een verkeersonveilige situatie.
Jaarlijks terugkerende evenementen
In artikel 4, lid 8 van Bijlage II bij het Bor was een speciale regeling opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden voor jaarlijks terugkerende evenementen. Vanaf 1 november 2014 is deze regeling geschrapt en kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de nieuwe regeling als bedoeld in artikel 4, lid 11 van Bijlage II bij het Bor. Omdat hier verder ten aanzien van evenementen geen restricties aan verbonden zijn. Wordt de volgende beleidsregel opgenomen. Gaat het dan bijvoorbeeld om jaarlijks terugkerende evenementen dan wordt hieraan de restrictie verbonden dat het om maximaal 3 evenementen per jaar gaat met een duur van ten hoogste 15 dagen per evenement. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruik gemaakt indien ook de evenementenvergunning wordt verleend. De afwijkingsmogelijkheid geldt zowel voor het gebruik van gronden als voor bouwwerken.
Artikel 15 Planschade
Het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo, is een planschadeveroorzakend besluit als omschreven in artikel 6.1, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat door de afgifte van de omgevingsvergunning omliggende percelen al dan niet met bebouwing in waarde kunnen dalen door bijvoorbeeld afname van het woongenot. Eigenaren van omliggende percelen kunnen dan een zogenaamde planschadeaanvraag indienen bij de gemeente voor een tegemoetkoming in de schade. Het betreft slechts een gedeelte van schade omdat een deel wordt geacht onder het normaal maatschappelijk risico te vallen.
Bij het verlenen van toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan in het geval van een planologisch kruimelgeval dient, na inschatting van het planschaderisico, een planschadeovereenkomst te worden afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Middels deze overeenkomst, opgesteld door de gemeente, verklaart de initiatiefnemer de kosten voortkomend uit het initiatief voor zijn of haar rekening te nemen. Desgewenst wordt tevoren een planschadeanalyse opgesteld.
Artikel 16 Hardheidsclausule
Het bevoegd gezag handelt overeenkomstig de beleidsregel
Het vastleggen van beleidsregels betreffende het kruimelgevallenbeleid heeft tot gevolg dat het bestuur, dat wil zeggen het college van burgemeester en wethouders, handelt overeenkomstig de uitgangspunten die in dit kruimelgevallenbeleid zijn geformuleerd en dat ook derden daarop moeten kunnen vertrouwen.
Een strikte toepassing van de beleidsregels kan in bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen hebben in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In dergelijke gevallen kan op grond van de hardheidsclausule gemotiveerd van de beleidsregels worden afgeweken. Het toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid dient terughoudend en gemotiveerd te worden toegepast ten einde geen afbreuk te doen aan de beleidsregels.
In dit beleid is een aantal uitgangspunten geformuleerd die tot doel hebben om bij concrete verzoeken om af te wijken (al dan niet in combinatie met een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) een afwegingskader te bieden waarmee snel een oordeel over de wenselijkheid en aanvaardbaarheid van medewerking kan worden gegeven.
Algemene uitgangspunten impliceren altijd dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die in een concreet geval tot een andere dan de hier beschreven aanpak leiden. Of, om het in de termen van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht te formuleren: Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Mantelzorg
Met de wijziging van het Bor per 1 november 2014, zijn ook het vergunningvrij bouwen ten behoeve van mantelzorg verruimd. Daar waar de regeling of het bestemmingsplan tekort schiet kan worden teruggevallen op deze regeling. In aanvulling op de mogelijkheid om op grond van artikel 4.84 van de Awb in individuele gevallen af te wijken van het bestemmingsplan kan in ieder geval worden afgeweken van de beleidsregels voor:
een bouwwerk welke op grond van een als ontwerp ter inzage gelegd bestemmingsplan is toegelaten. In dergelijke gevallen kan in anticipatie op dit bestemmingplan en in afwijking van de beleidsregels worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan aangezien de ontwikkeling past in het toekomstig planologisch regime; een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van (mantel)zorg waarbij grotere maten dan op grond van de beleidsregels zijn toegelaten vereist zijn. De bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan en deze beleidsregels bieden zullen in het merendeel van de gevallen afdoende zijn om extra ruimte ten behoeve van (mantel)zorg te realiseren. Dit neemt niet weg dat de specifieke behoeften van (mantel)zorg in voorkomende gevallen tot gevolg kunnen hebben dat de bouwmogelijkheden onvoldoende zijn. Deze beleidsregels hebben niet tot doel regels te stellen welke hiervoor een belemmering vormen. Het is daarom toegelaten om bij (mantel)zorg af te wijken van de in de beleidsregels genoemde maten en bepalingen. Voorwaarde om af te wijken van de beleidsregels is naast de vereiste van een indicatie in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning dat de behoefte aan extra ruimte ten behoeve van de mantelzorg wordt afgestemd op de stedenbouwkundige waarden van het gebouw en de omgeving. Daarnaast mag het bouwen niet tot gevolg hebben dat een nieuwe, zelfstandige woonruimte ontstaat omdat het verlenen van (mantel)zorg altijd ondergeschikt dient te zijn aan de woonfunctie.
een bijbehorend bouwwerk bij een woning welke qua situering en bouwdiepte afwijkt van de in de beleidsregels genoemde dieptemaat van 3,0 meter maar waarbij deze afwijking zowel vanuit stedenbouwkundig oogpunt als uit het oogpunt van redelijke eisen van welstand leidt tot een meer wenselijke situatie. Het afwijken van het bestemmingsplan om deze reden is slechts mogelijk indien wordt voldaan aan de overige van toepassing zijnde beleidsregels (oppervlakte en hoogte).
Indien de hardheidsclausule wordt toegepast of in afwijking van de in het kruimelgevallenbeleid opgenomen criteria geen medewerking aan een verzoek wordt verleend, wordt zowel het verzoek als de voorgenomen beleidswijziging aan het college voorgelegd. Verder wordt in het besluit uitdrukkelijk gemotiveerd waarom in een specifiek geval wordt afgeweken van het afwijkingenbeleid. Met een verwijzing naar de motivering in het afwijkingsbesluit kan eventuele (ongewenste) precedentwerking worden voorkomen.